JE LIED IS KIL, MIJN VRIEND, ZO KIL
Tais Teng
Je
Lied Is Kil, Mijn Vriend, Zo Kil Copyright 2011 Tais
Teng
Omslagillustratie Copyright 2011 Tais Teng
Redactie: Mike
Jansen
ISBN: 978-1-4661-1474-6
Verantwoordelijke uitgever: Tais Teng. Uitgebreide informatie over alle Tais Teng-titels is te vinden op www.taisteng.nl
Dit boek is verschenen onder het Verschijnsel-imprint. Verschijnsel is een imprint voor oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur van meerdere uitgeverijen in digitale vorm. Deze e-boeken zijn bijeengebracht op verschijnsel.net.
Uitgeverij Verschijnsel heeft zijn eigen fonds van oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur, uitgebracht in gebonden edities en/of in paperback. Uitgebreide informatie over al deze titels, inclusief romanfragmenten en complete korte verhalen, is te vinden op www.verschijnsel.com
No part of this book may be reproduced in any form, by print, photo-print, microfilm or any other means without written permission from the publisher / Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
***
Smashwords Edition, License Notes
This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.
JE LIED IS KIL, MIJN VRIEND, ZO KIL
In het begin was de aarde chaos: gloed en licht vermengd tot een korrelig grijs. Er heerste geen stilte, evenmin klonk een gerucht en alle vormen waren nog onbestendig.
M’gumba hurkte aan de oever van een meer, dat uit gelijke delen water en lucht bestond en zong het Eerste Lied.
Stenen barstten open en stuurden groene loten omhoog.
De mist spleet in licht en duisternis, in leegte en materie.
De klei ontwaakte en koos gestaltes van vlees en bloed, alles in overeenstemming met Het Lied van M’gumba. De aarde kleedde zich in regenwouden, in kleurige bergen. De naam van Het Eerste Lied was Leven en Groei.
Toen zijn broeder Ngai het Lied hoorde, werd hij echter afgunstig en hij hurkte naast M’gumba neer.
‘Er is een Tweede Lied, broeder,’ zei hij.
Uit: De Grondslagen der Magie, deel 9,
78ste druk, Universiteit van Jenne
1
‘Een bericht voor mij?’ herhaalt d’Ancy met gepast ongeloof.
De straatjongen wappert met een smoezelig briefje.
‘Als u Hans d’Ancy bent tenminste. Ik moest het aan hem persoonlijk geven. Niemand anders.’
Hans vouwt het briefje open. Lakzegels ontbreken. De jongen blijft wachten, zijn rechterhand opgehouden in het universele gebaar van gedienstige hebzucht.
‘Je kunt nu een stuiver vangen voor je moeite. Als je wacht tot ik het rustig gelezen heb, wordt dat een florijn.’
De jongen grijnst terug. ‘Ik kan niet schrijven, meneer.’
‘De meeste mensen kennen op zijn minst één persoon, die de kunst wel machtig is.’
Als zwervertje heeft hij jaren geleden zulke trucs zelf uit-gehaald. Laat je handige vriend een mysterieus bericht opschrijven, kopieer nauwgezet de naam van een voordeur en bel aan. Voor de bewoner het bedrog ontdekte, was Hans al verdwenen. Met de onverdiende fooi.
‘Hans, ik zit in grote moeilijkheden. Jij bent de enige die mij misschien kan helpen. Ontmoet me in taveerne "De Dronken Lor". Om acht uur precies. Je kunt mij herkennen aan de witte orchidee in mijn knoopsgat. Herman Berger.’
Hans legt een florijn in de hand. De hand klapt dicht als een berenklem.
‘Wacht,’ zegt d’Ancy. ‘Wie gaf je dit?’
‘Een man. Oude man. Was bijna kaal.’
Vreemd. Herman is twee jaar jonger dan Hans en niemand zal d’Ancy als een oude man beschrijven. ‘Zijn kleren?’
‘Duur. Het was een echte heer. Net als u.’
‘Aha. Altijd een heer geweest?’
De jongen knikt. ‘Hij praatte deftig. Ik kan ook bekakt praten, maar daar trapt niemand in. En geen eelt op zijn handen. Of littekens.’
‘Er zit geen modder in je ogen. Waar gaf hij je dat bericht?’
‘Wat is het u waard?’
‘Vier stuivers.’
‘Dat lijkt een beetje weinig voor iemand die florijnen uitdeelt, meneer. Met uw permissie.’
D’Ancy vist een halve florijn uit zijn beurs. De straatjongen heeft mooie herinneringen teruggebracht en dat is toch wel een halve florijn waard.
‘Taveerne de Dronken Lor, meneer. Hij zit nog op u te wachten. Denk ik.’
Hans trekt het horloge uit zijn vestzakje. Twintig voor acht.
Zoals de gewild grappige naam doet vermoeden is De Dronken Lor een protserig moderne taveerne. Onaangenaam helder verlicht door natriumlampen, langs de muren spiegels in vergulde lijsten. Een aluminium zuil met tientallen schappen, waarop bolle flessen likeur glimmen, vormt de tapkast.
Duur en sfeerloos. Precies het soort tent dat een nouveau riche als Herman zou uitkiezen.
Hans geeft zijn mantel af aan de garderobe en stapt de zanderige vloer op.
Op dit tijdstip bezoeken enkel verstokte drinkers een taveerne en de meeste krukken blijven nog onbezet. Twee vrouwen nippen aan hun bokalen zonder dat het vloeistofniveau merkbaar daalt. Het zouden zusters kunnen zijn met hun nachtzwarte, hoog opgekamde haar en hun zwierige parelkettingen. Volgens de laatste mode hebben zij hun voorhoofd en kin met zilververf opgemaakt.
Meisjes van de zaak, concludeert Hans en zet zich naast hen aan de tapkast.
‘Wat wilt u drinken?’ vraagt de kastelein.
‘Montezuma’s Wraak graag.’
De kastelein knikt afgemeten en giet de donkerbruine vloeistof in een bokaal, snippert een Spaanse peper en voegt een snuifje kaneel toe.
‘Niet veel vraag naar, meneer. We hebben het in huis voor de officieren van de Mexica-Lijn. Komen hier eens per maand het beest uithangen. Niet dat ik mij beklaag. Goud blijft niet aan hun vingers kleven.’
‘Je moet het leren drinken,’ geeft Hans toe.
‘Komt u uit Mexica?’ vraagt een van de meisjes met beroepsmatige belangstelling.
‘Ik heb de Azteekse Federatie een keer bezocht. Voor zaken.’
In een nis begint een staande klok te galmen. De klok heeft de vorm van een ouderwets slot en elk van haar duizenden steentjes is pijnlijk nauwgezet uitgesneden: onmiskenbaar liefdeswerk. Het poortje zwaait open en een gitzwart paard galoppeert over de transen. Bij elke gongslag steigert het paard en werpt de kop in de nek.
Ongetwijfeld een behoorlijk antieke klok. De orde van Sancta Bethory werd tweehonderd jaar geleden tot de laatste volgelinge uitgeroeid. De gitzwarte nachtmerrie, over de daken dravend en met haar gehinnik zielen uit de slapende lichamen lokkend, is intussen een bijna vergeten symbool. Behalve voor hen die zich professioneel voor zwarte magie interesseren.
Waarschijnlijk weet de eigenaar niet eens wat de klok voor duistere betekenis heeft.
Impulsief doopt Hans een vinger in zijn glas en trekt een halve cirkel op de tapkast, gevolgd door twee verticale strepen.
Geen van de vrouwen reageert.
‘Ik had een afspraak,’ zegt d’Ancy. ‘Oude man. Iemand hem gezien?’
‘Mijn dienst begint net,’ antwoordt de kastelein. ‘Ik kwam om kwart voor acht.’
‘Half uur geleden,’ knikt een van de vrouwen. ‘Hij leek me... onwel. Twee mannen haalden hem op. Ze ondersteunden hem naar de deur en betaalden zijn rekening. Niet dat hij veel gedronken had.’
‘Ging hij vrijwillig?’
‘Ja. Hij stond op zodra ze binnenkwamen. Opgelucht.’
‘Niet helemaal, Tasha,’ zegt haar collega. Ze staart naar haar verchroomde nagels, zoekend naar de juiste woorden. ‘Meer als een... ja, een klein kind. Die iets stouts wilde doen en net op tijd door zijn ouders werd tegengehouden. Een beetje boos en tegelijk opgelucht. Omdat hij het eigenlijk niet durfde.’
Herman, denkt d’Ancy. Geen twijfel mogelijk.
Zijn vriend is een mild en vrijgevig man. Intelligenter dan Hans ook, maar het Alwezen is in zijn geval beslist niet scheutig geweest met de kruiden die een man tot krijger maken.
‘Drink wat van mij.’ D’Ancy mikt een handvol munten op de toonbank. ‘Ik heb plotseling haast.’
‘Meneer Berger?’ zegt de huisbewaarder. ‘Nee, die is nog niet thuis. Hij vertrok om een uur of zes.’
‘Mijn naam is d’Ancy. Hans d’Ancy. Liet hij soms een boodschap voor mij achter?’
‘Nee, meneer. Hij verzocht me een galvanische koets te roepen en vertrok meteen. Hij vertelde niet wanneer hij verwachtte thuis te komen.’
‘Heeft u een papiertje voor me, beste man?’
‘Zeker.’
‘Dit is mijn nummer. Roep me op zodra hij thuiskomt, wil je? Doet er niet toe hoe laat.’
‘Meneer Berger is toch niets overkomen?’
‘Ik ben bang van wel.’
Hans d’Ancy legt twee florijnen op het morsige tafeltje.
De huisbewaarder schuift ze terug.
‘Nee, meneer. Dat kan ik niet aannemen. Ik werk hier pas een week, maar meneer Berger is de beste meester die een man zich wensen kan. Zonder het leeftijdsverschil waren we waarschijnlijk goede vrienden geworden.’
‘Leeftijdsverschil?’
‘Ik ben zevenentwintig. Hoe oud mijn meester is? Honderd? Honderd veertig?’
D’Ancy huivert. Het zwarte paard steigert door zijn herinneringen. Berger is eenendertig en zijn bruine haar begint nog maar net te wijken.
‘Ik roep u op zodra hij thuiskomt. Wilt u hem persoonlijk spreken?’
‘Liever wel.’
Vroeg in de ochtend wekt het loeien van de telaudio hem. Hij wrijft de slaapkorrels uit zijn ogen, trapt zijn dekens opzij.
Hij verwacht slecht nieuws.
Een kwartier later legt hij de contactplaatjes terug in het voedingsbad.
Het zwarte paard heeft Berger bezocht en is niet zonder ruiter vertrokken.
2
‘Uit klei werd je gekneed,’ zegt de Wiersmater priester, ‘tot klei vervloei je nu en de Rivier voert je mee naar nieuwe, grazige weiden. Naar andere lichamen, andere vreugden.’
Met houtskool tekent hij een driehoek op Bergers voorhoofd en drukt de oogleden dicht.
‘Wie zal de veerman betalen?’ vraagt de priester. ‘Wie heeft nog schulden bij de overledene en kon ze tijdens dit leven niet inlossen?’
Hans stapt naar voren. ‘Ik, broeder.’
Hij knielt voor het lijk en kust de droge, perkamentachtige lippen. Zo oud, zo griezelig oud het grijze gelaat van zijn vriend. Het voorhoofd lijkt uit lagen spinrag opgebouwd, en zijn lippen stulpen naar binnen, niet langer tegengehouden door witte tanden.
Hij legt twee gouden dukaten in de diepe oogkassen.
Het is een dag als een brok helder kristal, de azuren hemelkoepel besprenkeld met minuscule zwaluwen. In de lome stilte kun je het gras bijna horen groeien.
Berger bestaat niet langer, hij is een herinnering geworden, een kleurige kolk in de Rivier. Wrok zou voor Berger een onbekende emotie geweest zijn, wraakzucht iets uit een ordinair wijsje.
‘Ik doe het voor mezelf,’ fluistert d’Ancy. ‘Zwem in warme stromen, zwem in vrede, Herman. Omdat ik een minder edelmoedig en een veel wreder man ben, zal ik je wreken.’
‘Kan ik u even spreken, broeder? Alleen?’
‘Achter die sierbosjes staat een bank. Niemand zal ons daar storen.’
Ze slenteren van de andere rouwenden weg. D’Ancy kent geen van de aanwezigen: voornamelijk collega’s van de Universiteit en twee hoge militairen.
De bessen van de kunstig geblazen glasstruiken kletteren in het briesje. Het geratel zal hun zachte stemmen zeker overstemmen.
‘Zijn het zaken van je ziel, broeder?’ vraagt de priester. ‘Daden, duister en liever ongedaan?’
‘Het heeft meer met uw vak te maken. Spiritueel. Zwarte magie.’
‘Misschien spreekt u dan met de verkeerde. Grootmeester Pentalucci is onze expert op dat betreurenswaardige gebied.’
‘Mogelijk weet hij meer dan u, broeder, experts gebruiken echter een taal die leken met verwarring vervult. Parametrische springpunten der simulariteit, postvitale congruentie. Ik heb slechte ervaringen met experts.’
‘Bij de opleiding kreeg ik natuurlijk onderricht in zwarte magie,’ geeft de priester toe. ‘Om het goede te doen, moet men immers het slechte terdege kennen? Zoals Zebedeus ons leerde. Bent u zelf het slachtoffer van zwarte magie?’
‘Ik niet. De overledene.’
‘De levenden zijn de doden niets schuldig,’ zegt de priester. ‘Je betaalde de overtocht van je vriend enkel om je eigen ziel te verlichten.’
‘Dat is het niet. Ik moet een evenwicht herstellen. Oog om oog, tand om tand.’
De priester buigt zijn hoofd. ‘Wraak is juist zolang woede de motor is. Wraak uit gewoonte, vendetta’s, keuren we sterk af.’
‘Je helpt me?’
‘Zolang je haat groot genoeg blijft.’
‘Ik betaal wat je vraagt, zonder afdingen. Het is mij ernst.’
‘En ik zal geen stuiver aannemen,’ antwoordt de priester vergenoegd. ‘Mijn loon is al belachelijk hoog: je kunt niet elke dag kaviaar eten.’
D’Ancy kucht van verbazing. Het gerucht gaat dat priesters van Wiersma onomkoopbaar zijn. Nergens wordt echter zo mee gesjoemeld als met geestelijke zaken, dat weet hij uit ervaring.
‘U bent de eerste niet,’ zegt de priester, ‘die mij met grote ogen van verbazing aanstaart. Wiersma zag hoe corrupt de priesters uit zijn eigen tijd waren. Het Alwezen fluisterde hem de juiste remedie in: betaal de dienaren van de kerk meer dan ze kunnen uitgeven en corruptie verdwijnt. Eens gingen rijkdom en positie hand in hand, in de Kerk niet langer. Ik verdien meer dan de Kerkenvader van Groot Amsterdam. Hij bestuurt miljoenen, maar drinkt verschraald bier en kleedt zich in ongeverfd linnen.’
Grootmeester Pentalucci is jonger dan Hans verwachtte, misschien net in de twintig. Eigenlijk niet zo vreemd: kennis en macht trekken adolescenten het sterkst aan. De ouderen treden vaak tot de lagere ordes toe om de rest van hun leven in comfort en luxe te kunnen slijten.
‘U bezocht hem een jaar geleden dus voor het laatst,’ herhaalt de grootmeester. ‘Nog geen spoor van veroudering? Zelfs geen grijze haren?’
‘Zijn conditie was precies wat je zou verwachten bij een geleerde die dag in, dag uit over esoterische boeken gebogen zit: ronduit slecht. Maar alleen slecht in de ogen van een atleet.’
‘Ik herinner mij vaag een ziekte. Weinig bekend, dat wel. Een ziekte die een man in een paar dagen kan verouderen tot een seniel wrak.’
Mompelend slentert hij naar een bol insectenleer en drukt de contactplaatjes tegen zijn slapen.
Hij tikt op het apparaat. ‘Twee olifantsbreinen, gevuld met al onze kennis. En u weet, een olifant vergeet nooit iets.’
Zijn ogen draaien omhoog als de zenuwuiteinden contact maken met zijn hersenkwabben en hij één wordt met de massieve geheugens.
Zeven minuten verstrijken.
Hans drentelt door de kamer. Soedanese maskers, offermessen van flinterdun obsidiaan, wandplaten van Taoïstische mandala’s, de gegraveerde buizen en athanors van Alchemica Nigra.
Hij raakt een spekstenen beeldje van een walrus aan: het voelt ijskoud aan en stuurt een siddering langs zijn zenuwbanen.
‘Yaneq Sedna, Sedna Yaneq,’ smiespelt een stem, die diep uit de poolzee lijkt op te borrelen. ‘Sedna, Sedna...’
Hij grist zijn hand terug.
‘Inuit,’ zegt Pentalucci. ‘Niets voor mensen uit de warme landen als wij. De walvisjagers van Groenland aanbidden Sedna, omdat zij het heelal schiep. Alleen daarom. Ze haten haar hartsgrondig en dus kleurt haat hun religie.’
‘Interessant,’ zegt Hans. ‘Werkt dit amulet?’
‘Uiteraard. Het werd opgeladen met het leven van een dapper man. Wie dit beeldje bezit, wordt een onovertroffen walrusjager.’
Grootmeester Pentalucci trekt de contactplaatjes los. ‘Ik vergiste me. Wat ik bedoelde blijkt een ziekte van de cellen zelf te zijn. Aangeboren. De meesten sterven voor hun elfde. Stokoud, hun haar wit, hun botten breekbaar als glas.’
‘Bedankt voor de moeite.’ Hans slaat zijn straatcape om.
‘Niet zo snel. Wil je niet weten hoe je vriend vermoord werd?’
Half zo oud als de wereld zijn ze en ontoegankelijker dan Mekka voor een ongelovige: de rieten tovenaarssteden van Centraal Afrika. Toen Groot Amsterdam nog een naamloos gehucht was, domineerde Jenne Afrika al van het Atlasgebergte tot de brede meanders van de Kongo. Haar bibliotheken waren uitgebreider dan de legendarische archieven van Alexandria. Hun tovenaars wisten dat de Aarde een muskiet is, die door limietloze duisternis zoemt. Hun helers lieten afgehakte armen hergroeien toen Europese kwakzalvers zelfs het trekken van een kies een dodelijke afloop bezorgden.
Zelfs nu laten de Afrikanen de blanken nog maar mondjesmaat toe op de universiteit van Jenne. Afrika was en is het occulte hart van de wereld: bron van alle spirituele kennis en kunde.
En Berger was met Afrikaanse magie gedood.
D’Ancy drinkt ijsthee en kijkt uit over de Amstel, die in een bruisende waterval omlaag stort naar de onderstad. Kratten van kunsthoorn drijven langs, tollend in draaikolken, een dode eend, proppen doorzichtig papier. De onderstad accepteert alles en de paria’s in haar vaag verlichte sloppen zullen nooit protesteren.
Hans leest de luminokopie voor de vierde maal over. De woorden van de spreuk zeggen hem niets: Afrika telt honderden, zo geen duizenden dialecten en hij kent enkel handels Urdu, de taal van Jenne.
‘Yekinde Ashilati Ahina K’dan N’hin.’
‘Het versnelt de veroudering van het slachtoffer,’ had Pentalucci uitgelegd. ‘Elke nacht zal hij in een hypnotische droomtoestand raken. Bij zijn ontwaken weet hij zeker een jaar ouder te zijn. Niet alleen zijn brein gelooft dat, zijn lichaam ook. Tot in de geringste levercel. Een geloof dat zo krachtig is, wordt vanzelf realiteit.’
‘Mag ik een kopie?’ had Hans gevraagd.
‘Natuurlijk. Maar ik raad je aan je vriend te vergeten. De spreuk mag eenvoudig lijken, er is een ongehoorde geesteskracht voor nodig om hem te activeren.’
‘Zoals?’
‘De totale inzet van vijfentachtig adepten. De Universiteit van Jenne levert elke tien jaar misschien twee adepten af. Meer dan honderd zul je in heel Europa niet vinden.’
3
‘Dit was zijn kamer,’ zegt de huisbewaarder.
‘Iemand anders nog langs geweest?’ vraagt d’Ancy.
‘Nee. Beslist niet. Ik weet het zeker, want ik heb zowel de dag- als de nachtdienst.’
‘Ah, hoe dat zo?’
‘Insomnia,’ zegt de man. ‘Ongeneeslijke slapeloosheid. Een keer per maand bezoek ik een heelmeester en hij laat me dromen. Genoeg om niet gek te worden.’
‘Dat moet een zeldzame ziekte zijn.’
‘Klopt,’ zegt de man met een zekere trots. ‘Maar drie andere gevallen bekend. In de hele wereld. Mensen genoeg die hoogstens een paar uur kunnen slapen. Bijna niemand, die helemaal niet hoeft.’ Hij strijkt met zijn vinger door het stof op de vensterbank. ‘Het heeft ook voordelen. In mijn ogen verslapen anderen hun halve leven. En verder, het loon van een huisbewaarder mag wel niet hoog zijn, na achten gaat het nachttarief in en dat is anderhalf maal het gebruikelijke.’
‘Al zijn planten zijn dood,’ zegt Hans. ‘Dat lijkt me niets voor hem. Hij zorgde altijd goed voor zijn planten.’
‘Dat moet de bedompte lucht wezen. Meneer Berger hield zijn ramen altijd gesloten. Oude mensen zijn heel gevoelig voor tocht.’
D’Ancy woelt in de aarde. Vochtig. En door de wijde ramen valt meer dan genoeg zonlicht.
Een nacht is als een jaar...
Hoe lang leeft een geranium? Planten hebben erg primitieve zenuwstelsels. Als adepten een mens kunnen overtuigen, hoeveel eenvoudiger is het dan niet een plant te bedriegen?
Iets van hun tovenarij moet Berger gemist hebben om de planten naar een valse toekomst te sleuren.
Hij schuift de rookglazen panelen van de boekenkast open en leest de titels: boeken weerspiegelen de ziel van een mens.
Een opvallende verzameling voor een wiskundige: De Grondslagen der Magie, alle twaalf delen van de Jennese serie; Het lied van M’gumba.
Hij bijt op zijn onderlip als hij het bekende wapenschild van de Magus op de rug herkent. Geen boek dat oningewijden horen te bezitten.
Op de eerste pagina vindt hij de verwachte waarschuwing al: ‘Het lezen van dit boek kan fataal zijn voor iedere magiër onder de rang van adept.’
Het papier koelt plotseling af en hij laat het boek op de vloer vallen voor zijn vingertoppen bevriezen.
Een magische bescherming. En een uitzonderlijke krachtige.
Waarschijnlijk is het papier een plak schimmel, die sterke gedachtensignalen uitzendt zodra een onbevoegde haar pagina’s aanraakt.
Hij zoekt de rij verder af.
Tonaliteit en Ritme, naar een universele muziekleer. Nog onverwachter. Het boek is de bijbel van elke serieuze componist.
Het is óók twaalfhonderd bladzijden dik, gedrukt in een petieterige, amper leesbare letter, terwijl de schrijver bij voorkeur obscure vaktermen gebruikt als normale woorden zijn betoog een stuk helderder hadden gemaakt.
Je leest Tonaliteit en Ritme omdat je wel moet, geen ander naslagwerk is half zo volledig, maar nooit, nooit voor je plezier.
Op de eerste drie pagina’s vindt d’Ancy niet minder dan zevenentwintig aantekeningen. De opmerkingen komen hem heel zinnig voor en getuigen van grote eruditie op muziekgebied.
Hij bladert verder, zijn vingers stijf van verbazing. Overal vindt hij aantekeningen in de marge. Opmerkingen, die hem instemmend doen knikken. Hij herkent Bergers hoekige handschrift.
Zover hij weet kon zijn vriend nog geen harp van een luit onderscheiden en vond hij Hans’ componeren eigenlijk een ergerlijke verspilling van talent. Al was hij te beleefd om daar ooit een opmerking over te maken.
Een muzikant noemt niet snel een vriend toondoof, de grofste van alle beledigingen. Toch, Berger kwam daar akelig dicht in de buurt.
Op de bovenste plank vindt Hans Hertenbaums Bronnen der Afrikaanse Volksmuziek; Neurologische Netwerken; Magie, Toen en Nu. (Weer zo’n standaardwerk, enkel nuttig voor vaklui); Pythagoras’ Muziek der Sferen, twee commentaren daarop en Fysiologie der Walvisachtigen.
Muziek, neurologie, magie: voor geen van de drie koesterde zijn vriend ook maar een spoor van belangstelling.
Wiskunde is de sleutel, denkt d’Ancy. Bergers obsessie. Als ik kan bedenken wat wiskunde met die onderwerpen te maken heeft...
De huisbewaarder kucht. ‘Zal ik u maar alleen laten?’
‘Graag. Ik herinner me dingen. Mijn vriend en ik...’ Hij maakte een hulpeloos handgebaar.
‘Ik begrijp het.’ De huismeester sluit de deur achter zich.
Wiskunde is een instrument om de structuur van de werkelijkheid te doorgronden. Om te leren hoe het universum werkelijk in elkaar zit. Wiskunde ordent. Net als muziek. Ritmes, herhaalde patronen, structuren. Zoals een muziekstuk ook structuur heeft.
Als hij Fysiologie der Walvisachtigen terugzet, dwarrelt een papiertje uit het boek. Hij raapt het op en wandelt naar het raam.
Twaalf blauwe cirkels, in een kring om een rode dertiende. Golvende lijnen verbinden de cirkels. Het geheel doet hem aan het schema van een biologische schakeling denken. Toen hij zijn eerste telaudio aanschafte kreeg hij er een heel instructieboek vol bij.
Bovenaan, in Bergers handschrift, de volgende afkortingen: Cet. Men br, prim ritme of afgel? Vraag Belkov?
Cet. Men br? Br betekent misschien ‘brein’, dan moet men ‘menselijk’ zijn. Maar ‘Cet.’? Prim ritme of afgel is eenvoudig: Primair ritme of afgeleide. Muziektermen.
Hij neemt het deel Cast - Cole van de Encyclopedia Britannica uit de kast.
Cerebeltum.
Cervantes.
Cetacea.
Cetacea! Walvisachtigen...
Hans vloekt. Zijn Engels is slecht. Waarom gebruikte Berger in Wiersma’s naam geen normale W.P. Encyclopedie? De meeste Engelsen spreken vloeiend Nederlands en de Encyclopedia Britannica was dan een ook een overbodig prestigeproject, duidelijk inferieur aan de W.P.
Veel steekt Hans niet van het artikel op. Berger heeft een passage over de gezangen van de walvissen onderstreept: ‘Ondanks hun schijnbaar strakke opbouw vertonen zij een flexibiliteit die de beste menselijke composities naar de kroon steekt.’
Dat walvissen konden zingen had hij nooit vermoed.
En beter dan mensen? De moeite waard om eens goed uit te zoeken. Later.
Hij pakt het papier op, houdt het tegen het licht.
Ja. Een watermerk.
INTERNE VEILIGHEIDSDIENST
GROOT AMSTERDAM
BUREAU VOOR DEFENSIEF ONDERZOEK
Het bureau voor Defensie. Geen wonder, dat Berger plotseling zo goed in het goud zat! Na het schandaal rond de zoekgeraakte miltvuurbacillen bleef het opvallend rustig rond het bureau voor Defensie. Maar geen mens gelooft werkelijk dat zij hun leven gebeterd hebben.
Een nieuw wapen ongetwijfeld. De Handelscompagnie onderschrijft de doctrine dat de eerste klap een daalder waard is van harte.
Dit is mijn zaak, denkt Hans. Mijn probleem. Hier hoor ik geen vrienden bij te betrekken. Niet als het om het Bureau voor Defensief Onderzoek gaat.
Op de hoek van Kruyerskade stapt hij een telaudio-kapelletje in.
‘Neem een week vrij,’ zegt hij zodra Enrico opneemt. ‘Nee, beter een maand. En verzegel het kantoor.’
‘Je bent iets bijzonder onverstandigs van plan? Mijn zegen heb je.’
‘Een dame. Ik ontmoette haar op...’
‘Ik begrijp het.’
4
‘Minnevogelein klein,’ zingt het meisje in vlekkeloos Frans, ‘pik me niet in mijn hart.
Je kweelt:
hij heeft je lief.
Maar ik weet alles.
Mij zal hij niet meer bedriegen.
Hij zegt,
’s nachts gok ik met slechte vrienden.
Ik weet dat hij borsten streelt,
die niet de mijne zijn.
Vlieg weg, kleine vogel
en neem mijn ring mee.
Dit zijn mijn woorden:
Je denkt dat vrouwen zwak zijn.
Ay a oh,
de leeuwin breekt de rug van gazellen,
terwijl haar heer slaapt.
De vrouwtjesspin eet haar mannetje.
Ay a oh,
Een vrouw als ik haat even goed
als ze liefheeft!’
Het meisje legt haar mandoline neer. D’Ancy klapt en werpt een handvol munten in haar hoed als ze bij zijn tafeltje stopt.
‘U moet een rijk man wezen. Glitterde daar geen goud tussen het koper?’
‘Soms ben ik rijk,’ antwoordt d’Ancy. ‘Soms niet. Dat was een origineel liedje. Zelf gemaakt?’
Ze bloost. ‘Eigenlijk wel.’
‘Waar kom je vandaan?’ vraagt d’Ancy in het Frans. ‘Dordogne?’
‘Mijn ouders. Dat accent raak ik nooit meer kwijt.’
‘Hoffrans klinkt gekunsteld,’ zegt Hans met vuur. ‘Ongeschikt voor echte emoties. Nee, geef mij maar de zoete dialecten van de wijnlanden.’
Hij strekt zijn hand uit naar haar mandoline. ‘Mag ik?’
‘Certainement, chevalier.’
‘Ga toch zitten,’ zegt d’Ancy. ‘Laat mij een ogenblik je troubadour zijn.’
Het meisje grinnikt, pakt de fles bij de hals en neemt een flinke slok.
D’Ancy speelt een flitsende reeks noten, zijn plectrum flitst over de snaren. Hij laat zijn stem gaandeweg zakken tot een grommende bas en steekt zijn borst vooruit. Met absurd machismo marcheert hij om haar tafeltje, stijf en opgeblazen als een nieuwbakken huzaar.
‘Ik aanbid je,’ zingt hij.
‘Je ogen zijn zwarter dan de vetste eierkolen
en dieper dan een volle wijnkan.
Had Satan je naar Sint Antonius gestuurd,
er prijkte nu een heilige minder op de kalender.
Helena van Troje en Cleo
mogen hoogstens je dienstmeisje zijn.
Of neem oude heksen,
het maakt niets uit,
want mijn ogen zien jou alleen!’
Van de andere tafeltjes klinkt applaus.
‘Mooie woorden weet een vos altijd te vinden!’ roept een oudere dame.
‘Beter een vos met mooie woorden,’ antwoordt het meisje, ‘dan een koning met zijn vlag halfstok.’
‘Ah, koning!’ kraait d’Ancy en zingt:
‘Al kwam Louis
met duizend soldaten
om op te eisen je hand,
ik zou mijn aardappelschilmesje trekken
en hun degens opzij slaan.
Voor je glimlach daal ik in de hel af
om je Cerberus als schoothondje te brengen.
Voor een kus veeg ik
de mest uit Augias’ stallen.’
‘Daar hou ik je aan!’ roept het meisje. ‘Mijn kamer is al in eeuwen niet opgeruimd!’ Ze omhelst hem en kust hem lang en aandachtig op de lippen.
‘Jullie hebben het allemaal gehoord, niet? Dat was een kus en nu eis ik de tegenprestatie.’
‘Eerst nog een glas wijn,’ zegt d’Ancy. ‘Ik moet toegeven, kamers kuisen is niet mijn sterkste punt. Ken je ‘L’Alouette incontinente’?’
‘Dat is een smerig liedje, dat voor zo ongeveer iedereen aanstootgevend is. Natuurlijk ken ik het.’
‘Ik heb het gecomponeerd.’
‘Hah! Ik heb veel vlotte schavuiten ontmoet. Alleen nooit eentje die beweerde dat hij Hans d’Ancy zelf was!’
‘Wiersma!’ vloekt Hans. De telaudio jankt door de duisternis. ‘Hij houdt zo wel op.’
Celia lacht. ‘Neem hem aan, mon amour. Anders blijf je de rest van de nacht piekeren welke schoft je op dit uur van de nacht durfde storen.’
D’Ancy gromt, stommelt naar het lichtgevend apparaat. Hij drukt de contactplaatjes tegen zijn bezwete slapen. Celia’s gezicht is een witte vlek tegen het kussen van blauw satijn. Haar zwarte haar versmelt met de donkere achtergrond en een ogenblik lijkt ze bijna onzichtbaar te worden. Alsof haar huid de tinten van de nacht zelf heeft aangenomen.
Hij knippert met zijn ogen en het effect verdwijnt. Haar gelaat is weer volmaakt ivoor, elke trek scherp en delicaat in het licht van de straatlantaren.
De zenuwuiteinden van de telaudio versmelten met zijn gehoorcentrum.
Een zacht gezoem, rijzend en dalend.
‘Hans...’
Als altijd klinkt de stem over de telaudio toonloos, zonder intonatie of eigen karakter.
‘Spreek je mee. Wie ben je?’
‘Mijn lichaam. Ze stalen mijn lichaam. Alleen nog vragen. Ze vragen. Ik antwoord.
Ik zing. Zonder keel, zonder lippen.
Ik wil dood. Ik wil de Rivier. Ze...
Ik mag niet sterven, van hen. Hans, ik ben niet oud. Ik ben niet zo gruwelijk oud. En nu heb ik zelfs geen lichaam meer.’
Hij rukt de contactplaatjes bijna los. Zijn handen beginnen te trillen met de inspanning om zijn slapen niet aan te raken.
‘Wie ben je!’ Hij knauwt op zijn onderlip, proeft de weeïge smaak van bloed.
‘Ze... hebben... mijn lichaam... gestolen. Berger. Jij, de enige... die ik vertrouw.’
De zoemtoon valt weg en Hans strompelt naar zijn bed.
‘Wie was dat?’
‘Een grap. Stomme idioot, die mensen uit hun bed belt!’
‘Zie ik je vanavond weer?’
‘Laat een wijfjesspin haar mannetje ontsnappen? Erg vet ben je niet, maar ik doe aan de lijn.’
‘Heb je iets nodig? Geld?’
Ze knijpt haar lippen op elkaar. ‘D’Ancy, ik ben een muzikant. Als ik in bed duik met mijn geldbuidel open, dan zeg ik dat van te voren.’
‘Je bent nog mooier als je kwaad wordt.’
‘Zoiets heb ik al eens eerder gehoord, Hans.’
Ze prikt hem met haar wijsvinger in zijn buik.
‘Als ik oud was of lelijk, had je me dan aangesproken? Wees eerlijk, vriend.’
Haar vinger trekt een rechthoek op zijn borst en tikt hem tegen de wangen.
‘Hé!’ protesteert Hans. ‘Dat is echt niet nodig!’ en dan grijpt tover zijn geest vast, duwt zijn emoties opzij tot ze achter zijn mentale horizon wegzinken.
‘Zulke trucs zijn niet sportief,’ zegt d’Ancy zonder enige rancune. De meeste ontwikkelde vrouwen hebben wel een maand of vier doorgebracht bij de Zusters der Ootmoed om zich te wapenen tegen mannelijke leugenachtigheid.
‘Jij je zin. Ik zal de waarheid en niets dan de waarheid spreken. Was je oud en lelijk geweest, met een wrat op je neus, en vettig haar, dan had ik je zilver gegeven, geen goud. Ik had met je gepraat over het componeren van ballades en waarschijnlijk een maaltijd voor je besteld. Ik vond je liedje professioneel en de toonzetting goed. Ik had je het adres van mijn impresario gegeven en mijn visitekaartje, zodat hij naar je zou luisteren. Ik had je niet naar huis meegenomen. Tevreden?’
‘Ja.’ Ze trekt een omgekeerde driehoek op zijn voorhoofd.
‘Het spijt me. Ben je boos?’
‘Nee, mijn eigen schuld. Ik behandelde je even als het eerste het beste domme wicht, terwijl je mijn collega was. Dat is onvergeeflijk.’
‘Zes uur? Hoek Verulylaan en Westersteeg?’
‘Zes uur. Tot ziens.’
5
Hans doezelt weg op een terrasje.
Herinneringen boren als houtwormen door zijn brein. Pijnlijk. Hij kan ze zelden negeren en gisteren blijft voor eeuwig een deel van het nu.
Het is een zoete pijn. Want zonder die herinneringen is hij geen compleet mens.
Vier jaar terug:
Het suizen van een galvanische koets wekt hem. Hij opent zijn ogen, tast naar zijn mandoline.
Er is geen mandoline.
Clochard noemen ze mensen als hij in Parijs.
Een vrijbuiter is iemand met talenten, die verkiest geen vaste woonplaats te hebben. Een clochard leeft aan het andere uiteinde van het spectrum: als hij ooit talenten bezat, is hij ze nu vergeten. Of onmachtig ze te gebruiken.
Hij wordt direct klaarwakker. Zijn realiteit is opgebouwd uit tinten kil grijs en hijzelf is een efficiënte machine, een verwant van de galvanische koets, zo zeker van zijn eigen kunnen dat handelen amper nodig is.
Cocaïne doet vreemde dingen met je brein. Het geeft je wat de Penitenten je enkel beloofden: passieloze arrogantie. Almacht.
Erica had hen na Breedharps dood veel te veel betaald: meer dukaten dan verstandig is om in de handen van twee ongeremde levensgenieters te gieten.
Enrico was prompt voor een half jaar naar India vertrokken. Hans had het ene feest na het andere voor zijn vrienden, zijn kennissen en ten slotte voor toevallige voorbijgangers gegeven. Hij had gezongen tot zijn keel rauw werd, en parelhoenders geknabbeld.
Tot die nacht dat een kennis van een kennis een wit kristal plette op een handspiegeltje. Hij bood Hans een opgerold bankbiljet aan. ‘Heb je dit wel eens geprobeerd? Het komt uit de hoge Andes.’
‘Wat is het?’
‘Wat de drie Inca’s zelf snuiven als ze een echt plezier willen maken.’
Hij had gelijk gehad. Al was plezier maken misschien niet de juiste term.
De koets trekt op, verdwijnt. Voetstappen naderen d’Ancy’s portiek.
De jonge god machine komt half overeind, kreunt.
Zijn neus brandt. Het vuur onder zijn stoomketel: een deel van Het Grote Plan. Zonder die hete jeuk zou de machine niet werken. Alles heeft een plaats in Het Grote Plan en de wereld behoort hem toe.
Zijn speelgoedje.
Vreemd dat hij de laatste tijd zo weinig zin heeft om te spelen.
‘Slaapt u hier?’
Een stem, die hij herkent. Waarom ook niet? Goden scheppen hun eigen heelal. Natuurlijk kennen ze de stemmen van hun figuranten.
Of wacht. Dat is een wezen uit de vorige wereld, Herman Berger, de magister in de wiskunde met wie hij soms schaakte in ‘De Vrome Draak’.
‘Ja,’ antwoordt de jonge god tegen de schim uit het verleden. ‘Ja, ik slaap hier.’
‘Het regent! Je wordt kletsnat!’
De man reikt over hem heen, draait de sleutel om.
‘Je mag best binnenkomen. Ik heb een logeerkamer.’
De jonge god staat op en buigt. ‘Ik bezit mijn eigen paleizen, beste man.’
Nee, hij ligt nog steeds tegen de vochtige muur. En zijn lippen trillen, maar weigeren woorden te vormen.
‘Kom. Ik help je wel de trap op.’
Zweef langs grijze trappen omhoog. Naar gletsjerlicht. Deuren slaan achter hem dicht.
Waarom ben ik zo koud?
‘Drink dit. Hete melk met honing.’
Hij verslikt zich. Melk stroomt zijn kraag in.
‘Toe maar. Nog een slokje.’
Warmte. Hij was vergeten, wat warmte is. Het Grote Plan ruimt geen plaats in voor warmte.
D’Ancy sluit zijn ogen. Grijs wordt zwart, zwart wordt slaap. Een toevluchtsoord zonder briljante plannen en almacht.
Stemmen spreken net buiten zijn dromen. Berger, een onbekende ander.
‘Een vriend?’
‘We kenden elkaar.’
‘Aha.’
Vingertoppen beroeren zijn voorhoofd, woelen door zijn haar.
‘Hij heeft zijn zenuwstelsel vergiftigd. Dit gaat mijn macht te boven.’
‘Wie kan hem wél helpen, heelmeester?’
‘Een adept misschien?’
‘Waar vind ik die?’
‘Adepten zijn duur. Duizend florijnen per uur. En dit... twee, drie uur? Misschien meer.’
‘Geld is onbelangrijk. Hij is mijn vriend.!’ (Hij schaakte met mij, denkt d’Ancy. Soms. Ik weet niets over hem. Is dat vriendschap?)
‘Ik kreeg de indruk...’
‘Genees hem. Hij is mijn vriend!’
De grijze buitenwereld staat als een scherm voor verterend wit. Het wit van ijs, het wit dat God zelf is. Als genoeg cocaïne door zijn aderen raast, laat het scherm het wit in minuscule, verblindende vonkjes door.
Gods tint is kostbaarder dan alle verloren kleuren van de vorige wereld. Aan Zijn gloed ontleent Hans al zijn eigen macht. God is Antarctica, god is gedachten, die als kaarsrechte lijnen in het oneindige samenkomen.
Koud. Zo koud.
De Vreemdelinge stapt zijn geest binnen: een godin van zwart ebbenhout. Zij draagt de groene geuren van de jungle als haar mantel en het krijsen van kaketoes vormt Haar felle haardos.
Haar schoonheid overweldigt hem.
‘Wie ben jij, larf?’
Een moment van afgrijselijke aarzeling. ‘D’Ancy? Hans?’
Zij klapt in haar handen en God dooft.
Galmende duisternis omringt hem, hete, vochtige duisternis. Zij vormt het enige licht.
De witte eeuwigheid is een bleke herinnering, zonder enige waarde. Hoe kan een chemische god concurreren met een levende godin?
Zij strekt haar krachtige armen uit, omhelst hem.
‘Neem jij mij als je vrouw, Hans d’Ancy?’
‘Ja!’ schreeuwt hij, ‘ja!’
De armen koesteren hem, vingers glijden over zijn ruggengraat, volgen nauwkeurig de routes van zijn zenuwbanen.
Onder haar vingertoppen helen verzwakte zenuwcellen.
Als een warme wind waait ze door zijn brein, ontdooit de muren van ijs die hij samen met de witte god bouwde.
‘Ik aanbid je, godin,’ zegt hij.
‘Wil je voor mij sterven, d’Ancy?’
‘Ja.’
‘Noem mij moeder en minnares.’
‘Moeder, minnares.’
Hans ontwaakt uit de dagdroom die mensen herinnering noemen. Afrika blijft een mosgroene schemering in zijn ziel, een heel belangrijk deel van zijn persoonlijkheid.
‘Moeder, minnares.’
En: ‘Ik ben niet oud. Niet zo gruwelijk oud.’
Vriend of minnares.
Zo vaak sinds de halfaap mens werd, heeft hij moeten kiezen.
De pijn werd nooit minder.
Berger vroeg niet om wraak. Hij wilde enkel sterven. Ik zal hem zijn dood geven zoals hij mij eens leven gaf.
Wraak is een luxe voor goden.
Hij rilt. Hij herinnert zich al te duidelijk de kille glorie van het godenschap.
Hij kijkt op zijn horloge. Het is half zes.
6
Die nacht droomt hij over de zee. Warm water rust op koelere lagen: het scheidingsvlak is een trillende vlakte, die de hele oceaan omspant. Een land zonder horizon, opgebouwd uit geluiden.
Hans d’Ancy zingt en zijn stem wordt een koor: twaalf kelen galmen in perfecte harmonie.
Nee, kelen is onjuist, het is zijn voorhoofd dat het Lied in het waterige universum uitstuurt. Zijn voorhoofden, zijn twaalf voorhoofden. In zijn enorme koppen echoën noten door resonerende klankkamers, een geleigevulde holte hoog boven zijn ogen.
Het Lied kaatst en kaatst door de levende gewelven tot het als geurige donder over de vlakte spoelt.
Ik ben een walvis, denkt d’Ancy. Ik ben twaalf walvissen. En ons lied is vals. Dit lied is onjuist.
Hij herinnert zich oeroude ritmes, liederen die elk jaar veranderen en toch hetzelfde blijven. Zoals liefde elke keer hetzelfde is en toch uniek.
Dit is een lied van macht, denkt d’Ancy. Over een bek voor scherpe tanden en bloed in de oceanen. Een lied voor orka’s.
Niet voor mij/ons. Wij zijn de prooi, nooit de jagers. Ik hoor een ander lied te zingen!
Maar de onzichtbare voorzanger kent enkel dit lied: haat en macht en honger, orka’s tussen de ijsbergen, die je tong uitrukken en verslinden.
‘Nee! Dit is mijn Lied niet!’ gilt Hans d’Ancy.
Celia’s vingertoppen beroeren zijn voorhoofd en breken de nachtmerrie.
‘Je moet me geloven, Hans,’ zegt ze. ‘Wij doden als wij niet anders kunnen. Maar dit... dit is onze misdaad niet.’
Haar hand rust zwart en rimpelig op het kussen.
Kroeshaar omzoomt het Afrikaans gezicht. Haar oogwit glanst als vergeeld ivoor. Haar eerste eeuwfeest moet ver in het verleden liggen.
‘Wij verdedigen wat niet aangetast mag worden,’ zegt de adept. ‘Wij zijn niet wreed. Wij weigeren een man zijn dood niet.’
Hans voelt geen spoor van angst. Hij pakt haar hand vast. ‘Ik geloof je. Moeder. Maar waarom namen jullie zijn leven zo langzaam? Een dolkstoot was genadiger geweest.’
‘Wij lieten hem kiezen. Wij hadden hem zijn jeugd kunnen teruggeven. Tot aan zijn laatste ademtocht. Maar hij componeerde het Lied en was te verliefd op kennis.’ Ze knijpt in zijn vingers. ‘Je vindt jezelf een hartstochtelijk man, Hans. Jouw emoties zijn schimmig vergeleken met Bergers passie voor wetenschap, zijn dorst naar kennis.’
‘Hij is mijn vriend.’
‘Hij was hard op weg een duivel te worden. Kennis werkt niet minder verslavend dan cocaïne. Hij geloofde dat kennis boven goed en kwaad staat. Anderen gebruikten hem, maar dat toestaan, je laten gebruiken, is ook een misdaad.’
Ze slaat de dekens terug. De ware Celia komt amper tot zijn schouders. Eeuwen zuigen de warme sappen uit je lichaam en knijpen elk mens tot een onhandige mummie.
‘Door het universum klinken twee liederen, Hans. Op de ritmes van het eerste Lied beginnen stofwolken te wentelen en ontkiemen nieuwe zonnen. Leven schrijdt over steriele bergen en laat bossen en vogels in haar voetstappen achter. Dat Lied is liefde en geboorte en moed.
Het andere Lied vormt haar verwrongen spiegelbeeld. Het dooft de zonnen, laat gletsjers over verdorde regenwouden kruipen. Dat Lied is haat en ontbinding en macht over slaven.
Berger stal dat laatste lied van ons en liet het door de beste zangers van de aarde zingen.’
‘Waarom koos hij het tweede lied? Hij was geen slecht mens.’
‘Omdat het eerste te moeilijk voor kinderen is,’ antwoordt ze.
Drie dagen na zijn genezing nam Berger Hans mee de stad in om nieuwe kleren te kopen. Zelf sloeg de magister die middag een modieuze mantel om, die Hans met bewondering vervulde.
‘Je draagt kleren, die ik nooit aan je lijf had verwacht,’ zei Hans tegen zijn vriend.
Berger nam het gladde satijn tussen duim en wijsvinger, wreef. ‘Mooi spul, niet?’
‘Ja, echt Mairabisch satijn. Magisters in de mathematica verdienen nog geen korst droog brood. Dat beweren ze tenminste. En in de Vrome Draak heb ik je enkel in die oude wollen cape gezien. Een erfenis?’
Berger bloosde. ‘Mijn baan betaalt goed.’
Omdat zijn vriend duidelijk liever niet over dat onderwerp sprak, drong d’Ancy niet verder aan.
7
‘Schout Peterse,’ stelt d’Ancy zich voor, terwijl hij een identiteitsbewijs toont dat even vals is als zijn uniform.
‘U zult hopelijk discreet te werk gaan?’ vraagt de opzichter.
‘Uiteraard. De begraafplaats wordt na zessen gesloten als ik het wel heb?’
‘Zeker. Als u nog twintig minuten wilt wachten?’
‘Geen bezwaar.’ Hij wenkt de andere gardisten, die zich voor de gelegenheid overdreven goed geschoren hebben en hun nieuwe uniformen wat onwennig dragen.
De kist ligt dieper dan hij zich herinnerde.
Met een nijptang trekt hij de spijkers los.
Het deksel komt vlot omhoog. In het schemerdonker glanzen Bergers gouden ogen.
D’Ancy slikt, steekt dan resoluut de vlijmscherpe scalpel door de schedelwand en zaagt een cirkel uit. Hij trekt voorzichtig aan het spaarzame haar en het schedeldak wipt los.
De hersenholte is leeg. Zoals hij verwacht had.
Als de telaudio die nacht opnieuw jankt, stelt Hans slechts één vraag: ‘Waar kan ik je vinden?’
Onder de zeppelin krimpen de beurzen en woontorens tot een abstract bas reliëf. Brede lanen worden kieren, parken groene kwispedoors die hoog boven de huizen getild worden. Groot Amsterdam reikt tot voorbij de volle cirkel van de horizon. Dertig miljoen inwoners. Geregistreerde. Mogelijk het veelvoud daarvan aan illegale.
Alle wegen leiden naar Groot Amsterdam, overpeinst d’Ancy, elke grootse droom begint en eindigt hier.
Shelley vergeleek haar met een volgegeten spin, te verzadigd om de laatste vliegen in haar web leeg te zuigen. Sindsdien is Amsterdam gegroeid. De vliegen in haar web ook.
Sommige bleken sluipwespen te zijn: de Nipponese Unie, de Derde Monarchie van La France Entière.
Het Osmaanse Rijk noemt men nog steeds de ‘zieke, oude man van Europa’, maar dat is het Osmaanse Rijk al eeuwen en niemand durft de krukken onder hem weg te schoppen.
Afrika blijft Afrika. Maar er was een tijd dat Jenne aan Amsterdam schatting betaalde. Symbolisch weliswaar, maar schatting.
Tel haar vazallen: Nova Kanaän, De Verenigde Stammen van Inuit, Tsaristisch Rusland, Pruisen, de Duizend Eilanden van Insulinde, Nieuw Holland (Het grootste eiland ter wereld, maar mensen zijn er zeldzaam als diamanten tussen riviergrind), Suyd Afrika, Engeland, Het Schotse Koninkrijk, IJsland.
En haar vrienden:
Haar vijanden: de rest van de wereld.
De spin lijkt groter dan ooit te voren, maar haar maag is leeg.
De Handelscompagnie is intussen stokoud, oud genoeg om te begrijpen dat corruptie zakelijk gezien af te raden valt. Haar leiders werden pragmatici die de wereld vrede brachten, de vrede van de strenge schoolmeester. Haar aandeelhouders hebben honger uitgebannen (omdat ondervoede mensen inferieur werk afleveren), gratis onderwijs en gezondheidsprogramma’s ingesteld (om dezelfde reden). Zij hebben zich uit hebzucht als heiligen gedragen en goede werken verricht uit de meest verwerpelijke motivaties.
Het zijn milde meesters en wrede vijanden.
D’Ancy gaat de hand bijten die hem voedt en verwacht niet dat zij hem ooit zullen vergeven. Laat de bek die bijt dus anoniem blijven.
De graanvelden van de Noordzee glijden onder de zeppelin voorbij. Het luchtschip verlegt zijn koers naar het westen, daalt in Nieuw Londen en vliegt dan aan op wat eens de krijtkusten van Dover waren. Het Noordzeekanaal glanst als een strook dof lood in de diepte, geflankeerd door brede wegen waarover galvanisch verkeer raast.
Engelse zinnen spoken door zijn brein, een complete grammatica. To be or not to be. The lady smiles. I smile too. Een allemachtig diepe hypnotische trance en een zenuwdraad naar een olifantsbrein waren genoeg om een nieuw vocabulaire in zijn protesterende hersens te rammen.
Het is tijdelijk. Over een maand zal hij zelfs de weg niet kunnen vragen in het Engels. Het is echter altijd verstandig het dialect van de inboorlingen te spreken.
‘Is this your first visit to the Protectorate?’ informeert de douanier.
Twee, drie seconden blijven het loze klanken en dan klikken zijn hersens aan.
‘Ja, ik ben enkel op doorreis,’ antwoordt hij in vloeiend Engels. ‘Op weg naar het Schotse Koninkrijk.’
Lieg nooit meer dan strikt noodzakelijk. Een leugenaar moet ál zijn eigen leugens onthouden.
‘Zaken?’
‘Zo zou je het kunnen noemen. Tournee, ik ben troubadour. Mandoline, zang.’
‘De Schotten zijn dol op muziek,’ knikt de man. ‘Maar ook...’ Hij knipt met zijn vingers. ‘Dol op wat tinkelt en uit goud en zilver wordt gegoten.’
‘Ze zullen moeten kiezen. Zonder afstand van het een te doen, kunnen ze naar het ander fluiten.’
‘Mocht je Londen bezoeken, dan raad ik je de Winderfield Danshal aan. Heel curieuze muziekgroep treedt daar vaak op.’
‘De naam zegt me niet veel.’
‘Och, er zijn zoveel troubadours. Maar dit stel jongelui, ah, zo jong zijn ze intussen niet meer.... een soort Osmaanse muziek gekruist met Ierse Ballades en dat in het Liverpools dialect. De Silver Beetles noemen ze zich. Heel opvallend.’
‘Kunt u de namen voor me opschrijven? Klinkt als iets wat een troubadour hoort te bezoeken.’
‘U zult er geen spijt van hebben.’
In de danshal kiest hij driemaal een Chinees meisje voor hij zich van zijn veranderde gedragspatroon bewust wordt.
Geërgerd vraagt hij prompt daarop een blond arbeidersmeisje met blozende appelwangen. Blanke meisjes kunnen elk ogenblik in verschrompelde adepten veranderen, zo denkt zijn onderbewustzijn er blijkbaar over.
De muziek valt honderd procent mee. Zodra hij aan de ongebruikelijke ritmes gewend raakt, moet hij toegeven dat de muziek zelfs voortreffelijk is.
Het eentonige Osmaanse ritme, waar Ierse reels als kleurige mist doorheen golven.
De teksten zijn... onbegrijpelijk? Nee, verkeerde woord. Je begrijpt ze terwijl je ze hoort, maar een seconde later niet meer. Vooral het derde liedje blijft hangen: voor zover hij kan uitmaken gaat het over een welopgevoed meisje, dat haar ouderlijk huis verlaat om met haar vriend tegen de gardisten te vechten. Haar vriend is een mijnwerker en de gardisten proberen de staking te breken.
‘She’s leaving home’
‘Cause everywhere
she hears
the sound of marching,
charging people!’ zingt de zangeres.
Ze heeft een prachtig verweerd gezicht, vol diepe lijnen. Vroeger moet ze mooi geweest zijn, op een bloedeloze popperige manier.
Nu is ze fascinerend.
‘Marianne Faithful,’ zegt het meisje onder het dansen met een vreemd soort afgunst. ‘Ze is de vrouw van de leadzanger, maar ze zingt zelf een stuk beter dan hij. Vind ik.’
‘Waarom bewonder je haar?’
‘Ze weet wat woede is. Ze maakt woede mooi.’
Hans begrijpt volkomen wat ze bedoelt. Het meisje heeft een lief gezichtje met een wipneusje: vriendelijk en meegaand. Ze beseft dat er andere emoties bestaan, maar kan ze niet voelen.
Hij loodst haar naar een tafeltje. ‘De andere leden van de groep. Hoe heten die?’
Het meisje wijst. ‘Die man met die kaalgeschoren kop, ja, in die gifgroene mantel, Johan Lennon. Hij speelt op de sitar en de marinka. Achter de Ethiopische trommels, Paul. Dat litteken liep hij bij een verkeersongeval op. Jagger zingt nu, Michiel, en dat Japanse meisje heet Yoko Ono. Ze speelt pas een week bij de groep. Ik geloof dat ze een vriendinnetje van Paul is.’
‘Was het Japans wat ze zong?’
‘Kan best. Maar ik denk dat het Gaelic is. Keltisch’.
D’Ancy had de danshal niet enkel uit professionele belangstelling opgespeurd. Hij zocht een begeleidingsgroep om zijn tournee geloofwaardiger te maken. Hij was van plan om het Schotse Koninkrijk schijnbaar toevallig te bereiken en had hiervoor een week uitgetrokken.
Deze vreemde groep laat hem zijn doel bijna vergeten. Is hij ongemerkt buiten de hoofdstromen van de moderne muziek geraakt? Hun composities zijn zo vitaal en gloednieuw en lijken toch het gepolijste eindresultaat van een lange ontwikkeling.
‘Goed,’ zegt Michiel Jagger. ‘Maar laten we één ding duidelijk afspreken, we delen alles wat we vangen. Ieder evenveel. Zo werken we hier.’
‘Geen bezwaar,’ antwoordt Hans, die net op het punt stond hen, afgezien van die inkomsten, een loon van vier dukaten per dag voor te stellen.
‘Toch bevalt het me nog niet helemaal,’ zegt Lennon. ‘We varen een beetje in jouw kielzog, Hans. Wie kent ons buiten London? Ik heb weinig zin om een tamme muzikant in jouw achtergrondkoortje te worden.’
‘Dat was ik beslist niet van plan. Wat jullie hier doen, is prima. Jullie spelen wat je altijd speelt. Ik ook. Als we samen iets kunnen componeren? Nog beter.’
‘Dat wordt in ieder geval een afwisselend programma,’ zegt Marianne. ‘Ik heb in geen eeuwen een ballade geprobeerd.’
‘Wanneer kunnen jullie vertrekken?’
‘Nu,’ antwoordt Paul McCartney. ‘Een maand geleden verdienden we hier een halve plak bacon met chips. Nu begint de eigenaar ons zelfs de aardappelen te misgunnen.’
Ze pakken de muziekinstrumenten in. Een stel straatjongens vechten om het voorrecht de loodzware koffers van hun idolen te mogen verslepen.
‘Wonen jullie hier in de buurt?’
‘In de buurt wel, ja,’ antwoordt Paul. ‘Of het wonen is? Daarover verschillen we van mening.’
‘Stel je niet aan,’ zegt Lennon. ‘Het is een oud herenhuis. Een waar lustoord voor archeologen en mensen die graag ratten dresseren.’
‘’s Nachts schijnen de sterren door het plafond,’ vult Yoko Ono dromerig aan.
‘Regenwolken, die zie je ook prachtig.’ Marianne likt over haar lippen. ‘Niemand kan ons ongewassen schooiers noemen. Jammer genoeg kun je een stortbui niet op ‘warm’ draaien.’
‘Alleen onze koffers zijn waterdicht,’ zegt Lennon. ‘Ik wou dat ik mijn eigen sitar was. Zeg, dat is een goeie titel...’
‘... in Liverpool,’ zegt Jagger. Hij strijkt zijn hand door zijn uitdagend kortgeknipte haar. ‘Een van die luxe plezierboten, bezoek zonnig Samoa je weet wel, en Paul leende een pak van die gozer, zo’n zijden geval...’
‘Oh, alsjeblieft. Dat verhaal weer.’
‘Donder op als je per se met je kaken moet klapperen. Hans kent het nog niet.’
‘Klopt. Ga door, Michiel.’
Buiten valt de nacht. Uit de nimmer voltooide Tower priemen zoeklichten om een aanmerende zeppelin bij te lichten.
‘... hij moet wel een uur of vier op Paul gewacht hebben. Met een hele bundel van die dingen. Recht onder het standbeeld van Onnozele Mathilde! Hebben er twee weken goed van gegeten.’
Hans grinnikt. Sommige mensen zouden het verhaal vast niet grappig gevonden hebben. Hans is echter even arm als zij geweest en verwacht dat nog een keer of drie te worden voor een vriend dukaten (of zinken stuivers) op zijn ogen zal leggen.
‘Jouw beurt, Hans.’
Later op de nacht pakt Lennon zijn gitaar, ‘Opgedragen aan de grote Hans d’Ancy, die eens in hoog gezelschap, het hoogste gezelschap verkeerde.
D’Ancy said,
he said
I know what it is to be dead.
Dante got only his fellow writer as a guide
to Paradise.
D’Ancy said, he said,
I’m big budget,
I’m a most important person.
Don’t try to keep a good man down.
So Zeb, he combed his beard,
He put on a clean coat
and took him by the hand.
And Zeb said, he said,
I know what it is to be dead.’
‘Je laat me blozen,’ zegt d’Ancy. ‘Maar afgezien van mijn gekwetste ijdelheid, ik vind het geinig. Met een beetje bijschaven kan het een verrekt goede ballade worden.’
‘Neem mijn gitaar,’ biedt Marianne aan. ‘Je kunt toch gitaar spelen?’
‘Kan een waakhond blaffen?’
Halverwege vallen de anderen in.
Het eindresultaat, twee uur later, is beslist niet gepolijster dan het origineel, maar wel een stuk levendiger.
8
Hans ontwaakt door het tikken van de regen.
Zijn slaapzak is al doorweekt.
Hij blijft muisstil liggen om het dunne laagje water dat zijn lichaam verwarmd heeft niet uit de vulling te persen.
Ik droomde dat ik twaalf walvissen was, denkt hij. Benieuwd wat voor ballade Lennon daaruit zou brouwen.
Geleidelijk keert de beklemming uit zijn droom terug. Meestal verdwijnen zijn droombeelden ’s ochtends snel. Ze verdampen voor hij ze stevig in zijn geheugen kan prenten. Dit is een ander soort droom.
Hun lied was luider. Veel luider en het had een richting, een duidelijk doel. Alsof er een tweede ritme over het eerste lag.
Een stuk tekst doemt in zijn geheugen op. Een passage uit een boek, dat hij zeker nooit gelezen heeft. Het moet een deel van de droom geweest zijn.
Berger, Bergers geest heeft de zijne geraakt en hem informatie doorgegeven.
De bladzijde wordt duidelijker, scherp genoeg om moeiteloos te lezen.
‘En de Janlo man hurkte voor de hut van de vrouw die knollen uit zijn tuin gestolen had. Hij begon te zingen, een iel, edoch doordringend geluid. Drie dagen bleef hij zingen, zonder te eten, zonder een slok water te drinken.
De vrouw werd op de avond van de tweede dag ziek en weigerde haar hut te verlaten. In de ochtend raakte zij in coma en er droop bloederig schuim uit haar neus. Precies te middernacht blies zij de laatste adem uit.
Mijn meester noemde de Janlo man "een verdorven mens" en voegde toe, dat in zijn stam ieder die een "Doodslied" gebruikt om een vijand uit de weg te ruimen, prompt verstoten wordt.’
Ze zingen hun vijand dood. D’Ancy weet wie de haat van het lied gericht heeft. De vijand is ieder die de Handelscompagnie durft te weerstreven.
Zoals Hans d’Ancy.
Wie niet voor mij is, is tegen mij.
Ook dat was een deel van het lied. Woordeloos.
Wie niet voor mij is... zoals Hans d’Ancy, zoals driekwart van de wereldbevolking... is tegen mij.
Deze nacht had hij de voorzanger niet langer kunnen horen.
De walvissen zongen zelf, in pijn, in haat. Als reusachtige machines, die langzaam op gang kwamen.
Het kantoor van Rent a Coach is nog dicht. D’Ancy slentert het parkeerterrein op en bekijkt de galvanische koetsen.
Vooraan wachten de kleine, pittige wagentjes van de Rolls Royce-werkplaatsen. Goedkoop in het gebruik, degelijk: de ideale koets voor middenstanders.
Twee massieve Datsuns trekken zijn aandacht. Rijdende paleizen met polariseerbare ruiten, het koper van het koetswerk versierd met gravures van bloeiende kersenbomen en dromerige stroompjes.
Groot genoeg voor de hele groep, denkt d’Ancy.
Genietend strijkt hij met zijn vingertoppen over de glazen lantarens, die nauwkeurige kopieën zijn van de Zilveren Pagode te Kyoto.
Groot genoeg voor de hele groep, maar dat is natuurlijk niet de enige reden waarom hij besluit een Datsun te huren.
Hij werpt een blik op de kerkklok. Nog een anderhalf uur voor de zaak opengaat.
Een meter of veertig boven de loodgrijze Theems vindt hij een overdekt terras, dat ver over het vervuilde water uitsteekt.
De herbergier zet een mok stomende chocolatl op het gekerfde tafelblad en voegt een scheut rum toe.
‘Ontbijt, meneer?’
‘Geen slecht idee. Ja. Bacon en een chapati graag.’
‘Tien minuten, meneer. Met peper?’
Hans knikt. Een atomaire kruiser glijdt onder hem door. De Engelse vlag hangt zwaar van het vocht omlaag langs de horizontale vlaggenstok. De twee Rozen staan zo ver mogelijk van elkaar op het kleine wapenschild. Wijde banen rood, wit en blauw vullen het grootste gedeelte van de vlag. Voor gezworen vijanden is enkel de overwinning van een vreemdeling draaglijk.
Drie Amsterdamse matrozen stommelen binnen en beuken op de toonbank. ‘Hete grog, Dennis! En spaar de rum niet!’
‘Deed ik dat ooit?’ antwoordt de herbergier zuur. ‘Al is rum van deze kwaliteit verspild aan zwervers.’
‘Ons zilver blinkt,’ antwoordt een matroos.
‘En zolang het blijft blinken, kloekt de kruik. Op jullie gezondheid.’
Hans pakt zijn bord op en schuift bij hen aan.
‘Wilde vaart?’
Een matroos lacht bulderend. ‘Wilder dan wij vaart niemand, vriend. Kapers zijn we. Privateers en God helpe de beurs van de koopman, die op zijn kanonnen bezuinigde.’
‘Een kaperbrief van koning Frederik persoonlijk,’ zegt de tweede. ‘Geldig voor Nippon en al haar vazallen.’
Op Aarde heerst vrede. Er zijn echter vele soorten vrede en de Handelscompagnie knijpt een oogje toe als het om misdaden tegen hun concurrenten gaat.
‘Dat zijn de grote vissen,’ zegt d’Ancy. ‘Incazilver, peyote, cocaïne. En als jullie nu een garnaal tegenkomen, eentje met enkel wat geweren? Die toevallig rood wit blauw vlagt?’
‘Waarom niet? Als de horizon verder leeg is en niemand ooit wijzer wordt?’
De matroos steekt zijn hand op. ‘Ook een grog voor deze heer, Dennis!’ Hij frunnikt aan zijn gouden neusring. ‘Waar scharrel jij je zilver op, maat? Of is het goud? Die baret van jou is beverbont, niet? Dat dragen kleine lieden zelden.’
‘Troubadour.’
‘Je zingt liedjes voor de kost?’
Even vertrekt het gezicht van d’Ancy. Dan glimlacht hij: ‘Zo zou je het kunnen noemen, ja.’
‘Zing iets voor ons. Liedjes genoeg over kapers.’
‘Ik heb mijn mandoline niet bij me. Het spijt me.’
‘Niks aan de hand. De zoon van Dennis speelt vaak in de stad. Hij ligt nu nog in zijn nest te rotten, maar hij komt in zijn nachthemd omlaag rennen als hij hoort dat hier een troubadour zit. Een echte.’
‘Ik roep Ian wel even,’ biedt de herbergier aan.
‘Ken je dit?’ vraagt d’Ancy. Hij zingt Ian een regel voor.
‘Het is Nederlands.’
‘Ja. De melodie is net zo in het Engels.’
‘Mooi. Jij speelt. Dan zingen wij.’
Een mild gestemde toehoorder zou de stemmen van de matrozen als ‘ongeoefend’ beschrijven. Maar enthousiast zijn ze wel en het is trouwens een lied om de dreunende zee mee te overbrullen.
‘Allen die willen te kaapren varen
moeten mannen met baarden zijn:
Jan, Piet, Joris en Korneel,
die hebben baarden,
die hebben baarden!
Jan, Piet, Joris en Korneel,
die hebben baarden,
zij varen mee!’
En zolang het zilver blijft blinken, telt de herbergier de scherven niet.
De deur van het kantoor helt even erg over als de rest van de gebouwen. De hele stad schommelt en stampt als een vissersboot. D’Ancy houdt de deurkruk stevig vast en wacht tot de daken ietwat horizontaler komen te liggen.
De klerk werpt een blik op Hans, snuift, monstert hem voor de tweede maal en komt gedienstig overeind.
‘Wat kan ik voor u betekenen, meneer?’
‘Een glas melk. Of water. Als het maar zonder alcohol is.’
‘Wild nachtje in de stad, meneer?’
‘Het was al ochtend en dat is heel wat funester.’
‘Ik heb precies wat u zoekt, meneer.’ Hij vult een glas aan de tap, werpt er een driehoekig pilletje in. De vloeistof kleurt blauw en begint te bruisen.
‘Wat is het?’ vraagt d’Ancy achterdochtig. ‘Arsenicum met spuitwater?’
‘Vitamine B. Zout. Aminozuren. Ginseng en twaalf geheime ingrediënten. Het smaakt afgrijselijk en het zou Bacchus zelf ontnuchteren.’
‘Zij die ontnuchteren gaan, groeten u,’ zegt d’Ancy en drinkt het glas in een adamsappel-wippende teug leeg.
‘Gisterenavond nog gevoed,’ verklaart de klerk als hij de deur van de Datsun opent. ‘In de bagageruimte staat een kruik siroop. Elke tweehonderd mijl bijvullen.’
D’Ancy ploft in de bestuurszetel neer. De kussens moeten regelrecht uit het Keizerlijk Paleis te Kyoto komen.
Vreemd idee eigenlijk, hij zit nu binnen het dekschild van een levend insect. Als hij zich niet vergist, was een gemuteerde kakkerlak de basis voor de Datsun. Een mooi stukje biomechanisch werk, al halen de Japanners het niet bij de Nederlanders, die de degenkrab tot een vijfhonderd meter lang vrachtschip wisten om te kweken.
‘Ooit eerder een Datsun bereden?’
‘Enkel kleinere wagens.’
‘Veel verschil maakt het niet. De Datsun stuurt wat zwaarder. Langere remweg ook. Neem de bochten dus niet te ruim.’
‘Ik zal eraan denken.’
D’Ancy trekt de starthendel omlaag. De Leydense fles geeft ritmische stroompulsen af aan de enorme insectenspier in de motorkap. Deze trekt zich samen. Via een ingenieus systeem van hefbomen wordt de beweging op de drijfas van de voorwielen overgebracht.
De spier ontspant zich, trekt, ontspant zich: log zet de galvanische koets zich in beweging.