Excerpt for Een naderend onweer by Patrick Brannigan, available in its entirety at Smashwords

This page may contain adult content. If you are under age 18, or you arrived by accident, please do not read further.

Een naderend onweer

Patrick Brannigan


Smashwords Edition


Copyright 2011 Patrick Brannigan


Smashwords Edition, License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.

~


De baai lijkt op talloze andere baaien van Griekenland: diepblauw water, een kiezelstrand en sloom spetterende toeristen. Vanaf mijn stoel heb ik een prima uitzicht en vraag ik me af waarom deze baai toch anders is. Ik werk sinds twee maanden in deze bar maar ik kan er mijn vinger niet op leggen. Valt het zonlicht anders? Is het de magie die tussen de zee en het land heerst? Of ben ik gewoon waanzinnig geworden, net als de dichteres Sappho die in de antieke oudheid van een klif sprong? Naar verluid was het ontroostbaar liefdesverdriet, maar volgens mij was het de hitte die haar tot waanzin dreef. Ik zak verder onderuit en voel de zon op mijn huid branden. Het is pas elf uur maar de hitte kruipt gestaag van de rotswanden omlaag naar zee. Een windstille, broeierig hete dag.

Sofia komt het terras opslenteren. De felle ochtendzon beschijnt haar zwarte jurk, gebruinde benen en haar haren, die nat zijn van het douchen. Ze gaat kreunend naast me zitten. Ik weet dat ze voorlopig niet aanspreekbaar is, dus serveer ik yoghurt met vers fruit en een glas frappé. Na een kwartier kauwen en slikken komen haar hersenen weer op gang.

‘Patrick, wat een bezopen avond was het weer.’ Ze is schor.

‘Tja, niets nieuws. Vanavond meer van hetzelfde.’ Dit leven bevalt me wel.

‘Ik heb je niet horen thuiskomen. Ben je weer onderweg in slaap gevallen?’ Sofia giechelt.

‘Ik was bij Elefteria vannacht.’ Ze kijkt me eerst ongelovig, dan geschokt aan.

‘Je weet dat ze met Mytsos is getrouwd? Dat hij ieder moment aan wal kan komen? En dat niets geheim blijft in dit dorp?’ Haar afkeurende toon bevalt me niet.

‘Had hij maar geen visser moeten worden.’ Het kan me niet schelen. Ik heb nog nooit een vrouw als Elefteria ontmoet: een vrouw die je gelukkig maakt als ze naar je glimlacht, die je in extase brengt als ze je hand aanraakt. Sofia schudt haar hoofd.

‘Ik zou maar kappen met die slet voordat je in de problemen komt.’

‘Dat kan ik niet. Ik wil erachter komen waarom ze me zo fascineert.’

‘Is dat zo moeilijk? Alles wat verboden is trekt je als een magneet. Ze is getrouwd! Jij bent een vreemdeling uit het kille noorden die het niet begrijpt. Op dit eiland is het huwelijk nog steeds heilig!’ briest Sofia.

‘Jouw gescharrel maakt je hypocriet. Een erg Grieks woord trouwens,’ treiter ik haar.

‘Als Mytsos je doodschiet dan heb ik je tenminste gewaarschuwd!’ Sofia verdwijnt achter de bar. Luid gerinkel weerklinkt als ze de glazen in de afwasmachine smijt.

De hele middag serveer ik drankjes en olijven, struikel ik over de Griekse grammatica en flirt ik met Italiaanse dames op leeftijd, die me kirrend in mijn wang knijpen. De Albanese schoonmakers zorgen voor opschudding omdat ze een slang hebben gedood en aan de waslijn gehangen. Tegen vieren is mijn rug nat van het zweet en voelt mijn tong als een lap uitgedroogd leer. Panos, onze baas, komt na zijn siësta een kijkje nemen en vraagt olijk aan Sofia of ze die ochtend geen strijkbout over haar gezicht had kunnen trekken, wat hem op een woedende blik komt te staan. Ik lach zo hard dat ik licht word in mijn hoofd. Ik drink mijn eerste retsina van die dag. Een moeder vraagt me om de tarot te leggen voor haar knappe dochter en ik voorspel haar een gouden toekomst, wat me een zedelijke kus oplevert. De hitte wordt ondraaglijk. Er broeit onweer. Met de waterslang besproei ik iedereen die dat wil en ik loop af en aan met kannen ijswater.

Ik zie Elefteria met een vriendin op het strand liggen en ik laat bijna mijn dienblad vallen. Ik leun smachtend over de zeemuur, maar het vijftal meters tussen ons is onoverbrugbaar door een onzichtbaar gordijn van discretie. Ze wéét dat ik naar haar kijk en ze neemt een verleidelijke pose aan die zicht biedt op haar zongebruinde lijf. Ze mompelt wat tegen een vriendin die haar langzaam begint in te smeren met olie. Alsof ze het hebben afgesproken kijken ze me allebei precies tegelijk aan. Elefteria’s knipoog veegt mijn laatste rest verstand naar de vergetelheid. Ze glimlacht verleidelijk.

Eindelijk verdwijnt de zon in zee en beginnen de cicaden hun lied, maar de hitte is onverminderd. Elefteria en haar vriendin zijn van het strand verdwenen. Ik maak een praatje met een oude zeeman die al uren over zee zit te staren. Ik begrijp uit zijn sombere gemompel dat er een hevige storm nadert. Zou Elefteria vanavond weer langskomen? De herinnering aan haar knipoog laat me niet los. De passie van de afgelopen nacht heeft mijn hunkering eerder aangewakkerd dan gedoofd. Ik wil haar nogmaals bezitten. De toeristen drinken alsof ze zojuist uit de woestijn zijn komen kruipen, zodat ik geen tijd heb om te mijmeren. Sofia begint sfinakia te mixen en de stemming op het terras neemt zienderogen toe. Het volume van de muziek gaat omhoog. Ver landinwaarts is Zeus in toorn herrezen, want de bliksem weerlicht tegen de hemel. De zeeman had gelijk. De lucht geurt naar ozon en de toeristen schreeuwen en drinken alsof ze krankzinnig zijn geworden. De duisternis is nu gevallen.

De eerste donder weergalmt in de baai op het moment dat Mytsos het terras opstapt en Elefteria met zich meetrekt. De lokale klanten vallen stil, want Elefteria loopt mank en heeft een blauw oog. De toeristen vinden een mishandelde vrouw iets om grappen over te maken en ze grijnzen met hun roodverbrande koppen. Het liefst zou ik die grijns met een roodgloeiende pook van hun gezicht vegen. Ik probeer zo normaal mogelijk te doen, maar de woede en angst laten mijn handen trillen. Mytsos is een grote kerel. Zwaaiend op zijn zeebenen duwt hij Elefteria op een stoel, gaat zitten en wenkt naar mij. Ik haal diep adem, negeer mijn hartslag en stap op hen af. Het geschreeuw van de toeristen en de luide muziek lijkt opeens gedempt. De afstand tussen de bar en hun tafeltje lijkt eindeloos.

‘Kalispera, kiri. Wat wenst u?’ Ik kan een trilling in mijn stem nauwelijks onderdrukken. Ik kijk nadrukkelijk niet naar Elefteria.

‘Kalispera. Geef me whisky en ouzo.’ Mytsos’ blik dwaalt rusteloos over de toeristen, alsof hij iemand zoekt. Elefteria heeft de naam van haar minnaar geheim gehouden. Ik walg van mezelf dat ik opluchting voel. Ik zie donker metaal in zijn riem glinsteren en ik haast me naar de bar om hun bestelling te halen. Een nieuwe, oorverdovende donderslag overstemt de muziek.

‘Je ziet zo bleek als een doek. Als Mytsos naar je gekeken had dan had hij het direct geraden,’ grijnst Sofia. ‘Eindelijk heeft die hoer het pak slaag gekregen dat ze verdiende.’

‘Houd je bek. Hij heeft zijn pistool bij zich. Geef me dat mes.’ Sofia verbleekt, zet whisky en ouzo op de bar en overhandigt me het mes dat ik in onder mijn hemd verberg.

‘Wat ga je daarmee doen?’ Ik hoor haar nauwelijks door de muziek en de donder, maar alle genoegzaamheid is uit haar stem verdwenen.

‘Mezelf verdedigen, als het moet.’ De angstvlinders in mijn buik veranderen in vleermuizen. De adrenaline maakt me misselijk. Sofia kijkt over mijn schouder en haar mond valt open.

‘Die hoer fluistert in zijn oor. Hij kijkt naar ons,’ sist ze. ‘Oh mijn god, hij komt hierheen.’ Sofia haast zich naar het andere uiteinde van de bar. Ik voel een zware hand op mijn schouder die me weerloos omdraait. Een bliksemflits verlicht het starre gezicht van Mytsos, dat opeens van pijn vertrekt. Hij wankelt en valt achterover. Het mes steekt uit zijn buik. Bloed kleurt zijn shirt. Elefteria gilt hartverscheurend en werpt zich op Mytsos. De toeristen wijken vol afschuw weg van het tafereel. Stomverbaasd kijk ik naar mijn eigen hand. Een vrouw begint te gillen en als ik mijn blik weer op de weerloze visser en zijn vrouw wil richten, kijk ik in de loop van een pistool. Het onherkenbaar vertrokken gezicht van Elefteria kijkt me aan zonder me echt te zien.

‘Jij bent niet half de man die Mytsos was.’

Een enorme donderslag weerklinkt en eindelijk, eindelijk stroomt de verkoelende regen.


Over de auteur

Patrick Brannigan (1971) was matroos op de wilde vaart, soldaat der eerste klasse en kelner op het zonnige Lefkas. In 1998 studeerde hij af als historisch letterkundige aan de Universiteit van Amsterdam. Patrick ging daarna lange tijd op safari in Afrika. In 2006 schreef hij een vertaling van de avonturen van een 17e-eeuwse VOC-matroos. Sinds enkele jaren richt hij zich op de genreliteratuur, doet actief mee aan verhalenwedstrijden en zit in de redactie van Pure Fantasy Magazine. In 2011 won hij de NCSF-prijs én de Unleash Award.

Patrick woont vlakbij Amsterdam met zijn vrouw en kinderen. Hij staart af en toe in een kampvuur onder invloed van allerhande hallucinogenen, verliest zich in virtuele werelden en werkt ondertussen stug door aan zijn meesterwerk, dat ongetwijfeld de gehele wereld zal veranderen.


Download this book for your ebook reader.
(Pages 1-5 show above.)