Schaduwzijde
By: Luc Vos
*****
Published by: Luc Vos on Smashwords
*****
Copyright © 2012 door Luc Vos
*****
All rights reserved. Without limiting the rights under copyright reserved above, no part of this publication may be reproduced, stored in or introduced into a retrieval system, or transmitted, in any form, or by any means (electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise) without the prior written permission of both the copyright owner and the above publisher of this book.
This is a work of fiction. Names, characters, places, brands, media, and incidents are either the product of the author's imagination or are used fictitiously. The author acknowledges the trademarked status and trademark owners of various products referenced in this work of fiction, which have been used without permission. The publication/use of these trademarks is not authorized, associated with, or sponsored by the trademark owners.
*****
Smashwords Edition License Notes
This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each person you share it with. If you're reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then you should return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the author's work.
Andere boeken van deze schrijver: www.lucvos.be
Uw mening is belangrijk: feedback@lucvos.be
*****
Met oprechte dank aan Staf en Mieke voor het kritisch nalezen van mijn verhalen en hun opbouwende kritiek!
9u15. De eerste oproep van de ochtend loopt binnen op het politiekantoor Zuid. De sfeer is er - tot nu toe - slaperig. De nacht is rustig geweest zoals zovele nachten in deze kwakkelzomer. Anders dan andere jaren.
Wanneer de zon de ganse dag aan de hemel staat te branden, komen de feestvierders pas laat naar buiten, maar gaan ze de hele nacht door. Tot de vroege ochtend.
En worden de gemoederen, na het drinken van een pint te veel, al eens danig verhit. Vaak eindigt een nachtje feestvieren in de koele, van weinig comfort voorziene cel, waar de ontnuchtering een paar uur later snel volgt. Meestal nog versneld als vader of moeder zoon- (en soms ook dochter) lief uit de cel komt halen.
De opgeheven hoofden, vol van hormonen, drank en adrenaline, die ze in het midden van de nacht volop ten toon spreiden, helemaal verdwenen. Vervangen door schaamrood op de wangen, angst voor de straf die hen te wachten staat.
Dit jaar is er echter van zomer nog niet veel te merken geweest. De schaarse zonnige dagen zijn meestal niet uitgemond in een warme, zwoele nacht.
Zo ook gisterennacht niet. De zon heeft een paar uur geschenen en is dan snel verjaagd door donkere, met tonnen regen bezwangerde wolken, die hun lading met graagte over de naar zon verlangende stad gestort hebben.
Een stad die bovendien half verlaten is door mensen op zoek naar zon. Wat het voor de agenten van wacht in dit kleine kantoor aan de rand van de stad ongewoon rustig maakte.
Tot nu.
'Politie Zone Zuid, hoe kan ik u helpen?' beantwoordt wachtmeester Dave Janssens de binnenkomende oproep. Met half slaperige stem. Hopend dat zijn shift, die normaal gezien nog een klein uurtje zal duren, niet verstoord wordt door een incident dat hem weer een hoop vervelend papierwerk zal opleveren.
Er komt niet direct een antwoord. Enkel zacht gesnik klinkt op de achtergrond. Een gesnik dat echt klinkt. Een geluid dat alle slaap uit het hoofd van Janssens verjaagt. Een geluid dat hij direct herkent. Dit is hoe mensen klinken die vreselijke dingen gezien hebben. Die bang zijn. Doodsbang. Bang voor de dood.
De doorgedreven opleiding die deze agent doorlopen heeft, neemt de controle over. De ervaring van bijna tien jaar werpt haar vruchten af. Janssens zet zich recht. Al zijn zenuwen spannen zich, het haar in zijn nek gaat rechtop staan en met een snelle beweging van zijn hand doet hij teken naar Werner Depeuter die een paar meter van hem vandaan een verslag aan het typen is van het enige incident van die nacht. Een man die dronken naast zijn fiets gestapt is en zijn voet gebroken heeft. Spijtig voor de man, maar het soort gevallen dat ze hier nog het liefst hebben.
Depeuter kijkt op en ziet aan de uitdrukking op het gezicht van Janssens dat het serieus is. Hij laat zijn pen vallen en loopt naar hem toe.
'Wat…' begint hij, maar Janssens snoert hem de mond met een opgestoken vinger.
'Waar bent u?' spreekt hij op rustige toon in de hoorn.
'Bent u in gevaar? Zeg ons waar u bent en wij komen naar u toe.'
Depeuter kijkt Janssens vragend aan, maar zegt niks. Hij kent zijn collega en weet dat hij niet zonder reden bloedserieus wordt. Dan is het echt. Janssens staat bekend om zijn onfeilbaar inschattingsvermogen van de stem en de gezichten van mensen. Zowel slachtoffers als daders en zijn intuïtie heeft hem nog nooit in de steek gelaten.
Aan de andere kant van de lijn heeft de rustige stem van Janssens een kalmerende uitwerking. Het gesnik bedaart en een gebroken stemt probeert iets te zeggen.
'Hij… Hij is… Hij…'
De stem breekt en opnieuw volgen er snikken.
'Kan u ons eerst zeggen of u in gevaar bent? Wordt u bedreigd?'
Janssens' stem klinkt rustig, maar tegelijk zeer vastberaden en indringend. Het is duidelijk dat er paniek heerst aan de andere kant van de lijn en de enige oplossing hier, is rust brengen. De persoon - man of vrouw, dat is nog niet duidelijk - aan de andere kant van de lijn heeft de situatie niet onder controle, dus is het aan de politie om daarvoor te zorgen. En als er iets is waar Janssens goed in is, dan is het de situatie onder controle krijgen. Hij is zijn verveling bij het binnenkrijgen van de oproep al lang vergeten. Het einde van zijn shift staat niet meer op zijn radar. Het onder controle krijgen van deze oproep des te meer.
'Neen, ik denk het niet,' klinkt het nu zacht aan de andere kant van de lijn. Een vrouwenstem. Een jonge vrouwenstem. Rond de twintig.
'Hij is weg. Denk ik.'
'Bent u gewond?'
'Neen, ik niet, maar Erik is, hij is… Oh…'
Weer brak het meisje in snikken uit. Janssens begon zich een beeld te vormen van wat er gebeurd was, hij had een idee wat de toestand van de andere persoon in de kamer was, maar moest zich nu focussen op de persoon die hem gebeld had. Mogelijk was die nog in gevaar en daar moest hij eerst voor zorgen.
'Waar bent u nu? Kan u mij een adres geven?'
'Ik ben thuis.'
'En waar is thuis? Waar woont u?'
'Euh, ik, euh, ik weet het… niet…'
'Rustig maar, we komen er wel. Hoe heet u?'
'Anne-Marie,' kwam er langzaam uit.
Het uitspreken van haar eigen naam leek een kalmerende werking op het meisje te hebben, want het snikken bedaarde en haar ademhaling werd rustiger.
'Heel goed Anne-Marie. En hoe nog? Jouw achternaam.'
'Scheverneels.'
Janssens wuifde naar Depeuter, maar die was al bezig om de woonplaats van Anne-Marie Scheverneels op te zoeken. Het was duidelijk dat ze in Antwerpen woonde, anders zou ze wellicht niet naar Antwerpen-Zuid bellen. Ze belde met een GSM, op basis van het nummer konden ze meestal niks vinden, maar de naam was gekend in de systemen van de politie.
Enkele tellen later stak Depeuter zijn duim op als teken dat hij haar gevonden had.
‘Kasteelstraat 54,’ riep hij naar Janssens.
‘Kasteelstraat 54,’ herhaalde Janssens in de horen.
‘Is dat jouw adres?’
‘Ja,’ klonk het zacht bevestigend, een vreemd vrolijke toon van herkenning in de stem. Blij dat er nog iets herkenbaars opgedoken was waar de ongetwijfeld zwaar in paniek zijnde jonge vrouw zich aan vast kon klampen.
'We sturen direct een patrouille naar jou toe Anne-Marie. Blijf waar je bent, we zijn binnen een paar minuten bij je. Blijf aan de lijn, ik praat je hier wel door.'
Terwijl Janssens verder vroeg om zoveel mogelijk informatie te pakken te krijgen, stuurde Depeuter drie patrouilles naar de Kasteelstraat 54. Het thuisadres van Anne-Marie Scheverneels. Het waarschijnlijke tafereel van een zaak die hen nog wel even zou bezig houden.
'Patrouille 34 hier, we zijn er binnen twee minuten. Wachten we op versterking of gaan we binnen?' bevestigde Jef Demeester de oproep om bijstand.
'Wacht op versterking, zoals het er nu uitziet, zullen jullie er mogelijk een lijk aantreffen of toch iemand zwaargewond. De ambulance en MUG zijn ook al onderweg. Patrouille 45 en 87 ook. Zodra deze er zijn, kunnen jullie binnen.'
'Ok, we zijn er ondertussen. Buiten het huis is niks te zien. Alles lijkt normaal afgesloten te zijn. Geen zichtbare sporen van geweld of inbraak. 87 is er ook. We stappen uit en gaan kijken. We laten direct iets weten.'
Agent Jef Demeester, lid van de politie van Antwerpen - al bijna twintig jaar - stapte samen met zijn collega Sandra Dekorte uit en liep naar zijn collega Jan Walters die net iets korter bij de politie was, maar met wie hij al jaren heel graag samenwerkte. Vergezeld door Piet de Wachtelaer.
'Wat denk je dat dit is? Moord? Dat lijkt er hier niet de omgeving of het huis voor.'
'Dat weet je nooit hé. Het is al veel te rustig geweest deze zomer. Er moest eens iets misgaan hé.'
'Niks moet hé, liefst dit soort dingen niet hé.'
'Tuurlijk niet, maar je weet wat ik bedoel hé.'
'Weet ik wel Jan. Weet ik wel.'
'Ah, daar is de 45.'
Uit de derde combi stappen John Peeters en Sam Van Peteghem, waarmee ze de groep op zes agenten brengen, voorbereid op… Op iets, maar ze weten niet wat hun te wachten staat. Het leven van een politieman in een stad als Antwerpen is niet altijd simpel, maar lijken horen gelukkig niet tot de dagelijkse routine. Al is het nog niet zeker dat ze hier een lijk zullen aantreffen. Het kan - dat hopen ze - een grap zijn, een flauwe, maar dat is altijd nog beter dan een echt lijk.
Demeester, de agent met de hoogste senioriteit, neemt de leiding.
‘Laten we in elk geval voorzichtig blijven. Zoals het er volgens de uitleg van Depeuter uit zag, zou er een lijk in het huis kunnen zijn en is er nog iemand die bij het lijk zit. Maar ze hebben op kantoor niks meer uit haar gekregen. Ze belde om dit te melden en toen heeft ze ingehaakt. Ze hebben nog proberen terug te bellen, maar ze nam niet meer op, dus we weten niet wat we hier gaan aantreffen.'
'Jan en Piet, jullie gaan langs de achterdeur. John en Sam, jullie houden de mensen hier op afstand. Sandra en ik zullen binnengaan. Ok? Jan, geef jij een seintje als je aan de achterdeur bent?'
Jan knikte.
Gespannen liepen de agenten naar het huis toe, terwijl ze de beveiliging van hun revolver afhaalden. In tegenstelling tot wat mensen gewoon waren uit Amerikaanse films, was het bij de Antwerpse politie niet elke dag de gewoonte om op allerlei misdadigers te schieten en waren er - gelukkig - nog altijd agenten die meerdere jaren dienst hadden en nog nooit hun wapen hadden moeten trekken, laat staan op iemand schieten. De filmhelden konden dit ogenschijnlijk zonder scrupules of zonder er iets aan over te houden, maar de agenten hier die al ooit op iemand hadden moeten schieten, hadden allemaal psychologische bijstand nodig gehad.
Langzaam naderden Jef en Sandra de voordeur. Hand op hun revolver. Bedacht op elk geluid, gespannen anticiperend op elke abnormale situatie. Klaar om binnen te gaan. Wachtend tot Jan het sein zou geven dat ze aan de achterdeur waren. Die niet makkelijk bereikbaar was, daarvoor moesten ze langs een zijstraatje gaan en verloren ze even alle visueel contact.
Terwijl John en Sam steeds meer moeite begonnen te krijgen om de nieuwsgierigen op afstand te houden. De ochtend was loom en traag geweest, maar de aanwezigheid van drie politiewagens in deze meestal kalme en zelfs wat saaie buurt, veegde het deken van rust in één beweging weg en maakte het duidelijk voor de omstaanders dat hier iets aan de hand was. Wellicht geen banale burenruzie, niemand had iets gehoord of gezien. Een mogelijkheid die helemaal uit de pronostieken geschrapt werd toen er twee ambulances en een MUG interventiewagen met loeiende sirenes en gierende banden de straat ingereden kwamen.
'Wat is er aan de hand? Wat is er gebeurd? Is er iemand dood?'
De vragen vlogen John en Sam om de oren, maar ze waren geroutineerd genoeg om zich er niet door te laten afleiden. De camera's en smartphones begonnen ook in stelling te komen, klaar om alle pikante en pittige beelden te filmen en te fotograferen, zodat ze binnen de kortste keren konden gedeeld worden op Youtube en Facebook en de wereld deelgenoot kon worden van het drama dat zich hier in de Kasteelstraat afgespeeld had. De grenzen van het fatsoen en respect voor de privacy van de mensen met de voeten tredend, iets waar weinigen bij stilstonden. Tot het over hun eigen leven ging.
De politie was al vaak boos en vooral gefrustreerd geworden over de snelheid waarmee vertrouwelijke informatie op het net gesmeten werd, maar besefte dat er weinig was wat ze er aan konden doen. Mensen hadden het recht om hun omgeving te filmen en zelfs al zouden ze één iemand stoppen, er stonden er tien klaar om de taak van nieuwsbrenger over te nemen.
'We zijn er,' klonk het zacht door de Walkie Talkie van Jef.
'Ok, we gaan binnen,' antwoordde hij.
Jef probeerde de deur te openen, maar die zat op slot. Niet verwachtend dat er iemand open zou doen, belde hij aan. Maar wachtte niet lang. Het betrof hier hoogstwaarschijnlijk een noodgeval, en dus sloeg hij het raam naast de deur met de kolf van zijn pistool in en opende de deur langs binnen.
Zijn zenuwen tot het uiterste gespannen, bedacht op elk geluid, elke beweging, duwde hij langzaam de zware voordeur open. De hal was leeg. Tegen de muur stond een lage tafel, met een paar fotokaders, mooi geordend, een vaas met bloemen en een bos sleutels.
Jef zag het beeld voor zich : De eigenaar, thuis gekomen van zijn werk, zoals gewoonlijk zijn sleutels op het tafeltje gelegd. Waarschijnlijk roepend :'Schat, ik ben thuis.' Dan naar boven gegaan of naar de living om iets te doen. Wat?
Jef probeerde zich voor te stellen hoe het hier gelopen was, om zo een inschatting te kunnen maken van wat hij mocht verwachten. Het was altijd zijn droom geweest om bij de dienst moordzaken te gaan, maar door allerlei problemen thuis had hij nooit de tijd gevonden om mee te doen aan de examens en was hij blijven steken waar hij nu zat. Hij deed zijn werk zeer graag en met heel veel eergevoel. De frustraties over de gemiste kansen namen nooit de overhand - verbittering was hem vreemd - maar op momenten als deze stak het toch een beetje dat hij nooit die stap had kunnen zetten. ‘Misschien nog niet te laat’, flitste door zijn hoofd, terwijl hij voorzichtig zijn hoofd om de hoek van de hal stak en de living binnen ging.
Ook die was leeg. Geen sporen van een gevecht. Geen teken van onregelmatigheid. Was dit het juiste huis?
Over zijn schouder zag hij zijn partner Sandra die zorgde dat er geen dode hoek was en niemand hen ongezien kon benaderen. Even kruisten hun blikken. Vragend. Beiden zich afvragend of ze wel op de juiste plek waren. Even haalde Jef zijn schouders op, ontspande een beetje, wees naar boven met een gevoel dat het wellicht loos alarm was, toen ze iets hoorden.
Een menselijk geluid. Een snik? Ze zaten wel juist! Dat gevoel keerde bliksemsnel terug en deed hun zenuwen weer tot het uiterste gespannen staan.
Jef deed teken dat ze direct naar boven moesten gaan. Hij ging eerst de trap op, terwijl Sandra hem op een goede meter volgde, de omgeving constant analyserend, beducht op mogelijk gevaar.
Boven op de overloop zag de situatie er helemaal anders uit. Geen rustgevend, lieflijk huiselijk tafereel meer. Tot de bovenste trede was er geen spoor van geweld, maar het parket op de overloop was bedekt met rode spatten. Bloed. Een spoor van bloed. Dat steeds groter werd. Dat liep naar één van de kamers.
Alle zenuwen in Jefs lichaam spanden zich. Zijn ademhaling versnelde, zijn ingebouwde sensoren vingen elke prikkel op. Elk detail in de omgeving werd geregistreerd en samengebracht om snel de volledige betekenis te vinden. Om de samenhang tussen de diverse elementen te maken en te ontdekken wat hier aan de hand was.
Meer dan ooit voelde hij dat hij gemaakt was voor dit soort werk. Het was nu niet het moment om dit soort dingen te denken, maar Jef nam zich voor om - zodra hij hier buiten was - zich te bevragen over de mogelijkheden om alsnog hogerop te geraken. Zijn probleemzoon, de hoofdreden waarom hij er nooit toe gekomen was om werk te maken van zijn carrière, was het huis uit. Als er ooit een moment was, dan was het nu wel.
Maar eerst hier verder. Met één hand deed Jef teken naar Sandra dat ze hem moest volgen naar de kamer. De kamer waar het vuurrode spoor naar toe leidde. Sandra knikte. Tegelijk de andere deuren in het oog houdend. Bedacht of ze zouden opengaan. En een mogelijke dader naar buiten zou komen. Om hen aan te vallen of te vluchten.
Zonder nog langer te aarzelen, stapte Jef naar de deur waar het bloedspoor naartoe liep en duwde ze met zijn voet open. Verwachtend een lijk aan te treffen. Hopend dat het niet waar zou zijn. Dat er nog hoop was, maar zijn hoop was ijdel.
Gedeeltelijk.
Er was één dodelijk slachtoffer. Dat was duidelijk. Daar had Jef geen medisch diploma voor nodig. En er was nog een tweede persoon – de beller? – maar de toestand van dit slachtoffer was niet duidelijk.
Op het bed in de kamer lag een man. Hij lag met zijn hoofd in het kussen, waardoor Jef zijn gezicht niet kon zien, maar hij vermoedde dat de man halfweg de twintig was. De lichaamsbouw en de toestand van zijn spieren verrieden in elk geval een sportief en goed onderhouden lichaam.
Enkel gekleed in een onderbroek. Liggend in een grote plas bloed. Hij lag op zijn buik, maar het was duidelijk dat de wond die aan de basis van zijn overlijden lag zo groot was dat er geen hulp meer mocht baten. Er zat een gat van zo'n vijf centimeter doormeter in zijn rug. Jef kon het niet heel goed zien, maar het leek er op dat het gat helemaal door zijn lichaam uit liep. Van zijn rug tot zijn borst, recht door de plaats waar zijn hart zat. Waar het hoorde te zitten, maar zoals het er nu uitzag, was er wellicht niet meer veel over van zijn hart. Dit ging een heel korte doodsstrijd geweest zijn, dacht Jef.
Naast hem, in elkaar gehurkt, neen, eerder in elkaar gekropen, zat een jonge vrouw, halfweg de twintig misschien? Al was het ook hier niet duidelijk te zien hoe oud ze was. Haar gezicht was bedekt met bloed, en de blik op haar gezicht was zo afgrijselijk, zo vervuld van afschuw en horror dat ze wel tien jaar ouder leek.
Jef wilde direct naar haar toe gaan, maar zijn opleiding hield hem tegen. Ze leek niet gewond, voor de man kon geen hulp meer baten, eerst moesten ze zorgen dat de omgeving veilig was.
Hij wenkte naar Sandra en deed teken dat ze de andere kamers snel moesten doorzoeken om te zien of de dader er nog was. Als hij nog hier was, konden ze niet het risico lopen dat hij hen overviel.
Het meisje leek hen zelfs niet opgemerkt te hebben en het duurde slechts twee minuten vooraleer de andere kamers doorzocht waren en ze weer in deze kamer waren.
'Jan, Piet, boven is alles veilig. Hier ligt één dode en een meisje dat in shock is. Beneden lijkt alles ok, maar checken jullie nog snel de andere kamers beneden voor jullie de ambulanciers naar boven sturen?'
Standaard routine, maar ze zouden het bijna vergeten. De schok van het zien van het lijk was groot, en de kans dat ze vergaten het hele huis te controleren evenredig groot, maar dat kon nog meer mensenlevens kosten en dat mocht niet geriskeerd worden.
'En,…' Jef zei het met een beetje wrang gevoel, 'bel moordzaken ook dat ze langs komen. Ze zullen hier hun werk wel aan hebben…'
Intussen was Sandra naar het meisje gegaan.
'Anne-Marie?'
Het meisje reageerde niet direct. Het leek erop dat ze Sandra hoorde, er was een zweem van verandering in de uitdrukking op haar gezicht, maar de reactie bleef uit.
Voorzichtig legde Sandra haar hand op de schouder van het meisje, een gebaar dat meer reactie teweeg bracht. Ze schrok, en kromp zo mogelijk nog meer in elkaar.
'Rustig Anne-Marie, rustig. Er is geen gevaar meer. We zijn hier, we komen je helpen.'
Het meisje besefte nog steeds niet wie er naast haar stond en keek verwilderd naar de man die dood op het bed lag. Het was wel duidelijk dat ze hier geen verklaring zou afleggen - dat was trouwens iets voor de dienst moordzaken - en Sandra liet haar dan ook graag over in de handen van de verplegers die nu zenuwachtig naar boven gekomen waren. Ook zij waren veel gewoon, maar dit was toch anders dan anders.
Het lijk mochten ze niet aanraken - de mannen van moordzaken zouden al niet zeer happy zijn dat er zoveel mensen door het huis liepen en mogelijke sporen vervuilden - maar het meisje was mogelijk gewond en moest dus verzorgd worden.
Onder lichte dwang kregen ze het meisje zover om op te staan uit haar verkrampte houding. Een snel onderzoek wees uit dat ze geen verwondingen had. Het bloed leek allemaal van de man te zijn en rustig begeleiden de ambulanciers het meisje de trap af en namen haar mee in de ziekenwagen die haar naar het Sint-Vincentius ziekenhuis voerde. Waar ze verder onderzocht zou worden tot de agenten van moordzaken langs kwamen om haar te ondervragen.
De massa mensen die ondertussen buiten verzameld was, smulde zichtbaar van het 'vertier' dat hier te zien was op deze niet zo zomerse ochtend en menig filmpje stond een paar minuten later reeds op Youtube. 'Sensatie in de Kasteelstraat.' Facebook stond er vol van. Maar was even snel al weer vergeten toen nieuwe updates dit nieuws verdrongen. De ambulanciers hadden een deken rond Anne-Marie geslagen, zodat er van de bloedsporen bijna niets te zien was, en geen enkel filmpje een echte indicatie van het gebeuren kon geven.
Het was ook maar goed dat de mensen niet zagen wat er in de slaapkamer boven te zien was, want de gemoederen zouden heel wat meer opgehitst worden. Onrust zou deel worden van hun leven. Een moordenaar in hun buurt, een wreed beest dat de - onschuldige? - man daarboven zomaar doorboord had.
'Wat is hier gebeurd? Djeezes, mannekes. Welke smeerlap is hier bezig geweest. Da kan nu toch nie hé!'
'Dag Willem,' begroette Jef Willem Demeuter. Rechercheur van de dienst Moordzaken van het arrondissement Antwerpen. Ze kenden elkaar al jaren en Willem was één van de weinige mensen die wisten van Jefs geheime ambities. Hij had er dan ook geen probleem mee dat Jef hier nog was. Andere agenten zou hij snel buiten gejaagd hebbend, wetend dat ze de helft - in het beste geval - van de sporen al lang zouden vernield hebben. Maar bij Jef was hij gerust dat hij wist waar hij moest op letten en wist dat hij niets zou doen om het onderzoek in gevaar te brengen.
'Dag Willem. Ik weet het niet man. Het ziet er niet goed uit hé. We hebben hem hier zo gevonden. Na een telefoontje van een jonge vrouw. Zijn vriendin wellicht, maar dat moeten we nog uitzoeken. Ze was behoorlijk in shock. Ze heeft nog kunnen bellen, maar toen is ze helemaal gecrasht. Ze is naar het Sint-Vincentius, daar wordt ze onderzocht. Voor zover we hier hebben kunnen zien, was ze niet gewond. Ze hing wel onder het bloed. Zijn bloed hoogst waarschijnlijk, maar ik had niet de indruk dat zij er fysiek bij betrokken was. Ze is een nogal tenger ding, en ik denk niet dat zij de kracht heeft om te doen was hier gebeurd is.'
Willem had de hele omgeving al in zich opgenomen en schudde zijn hoofd.
'Ik denk dat dit alleen door een sterke man - of een sterk manwijf - gedaan kan zijn, niet door een jonge tengere vrouw. Verdomme man, wat is dat nu weer? Ik heb gisterenavond nog maar net tegen mijn vrouw gezegd dat het er naar uitzag dat we eindelijk eens een zomer gingen hebben zonder gekke incidenten - en eerlijk gezegd, dan liever een zomer vol slecht weer en geen moorden, dan omgekeerd - maar ik had het niet mogen zeggen. Het is al prijs.'
Willem zuchtte diep. Hij wist wat dit betekende. Hij wist dat dit veel gezever, onderzoekswerk, uitleg aan de pers, de burgemeester en de bevolking zou inhouden. Mensen werden niet zomaar vermoord in Antwerpen. Een afrekening in een drugsmilieu. Dat gebeurde. In de hoerenbuurten. Ook. Maffiosi die elkaar een lesje leerden of illegalen die elkaar te lijf gingen. Dat ook. Allerlei gezever in de buurt van het Falconplein, dat waren ze gewoon.
Maar een - duidelijk beestachtige - moord in een deftig rijhuis in Antwerpen? Dat was gezever. Dat was iets dat je niet wilde.
Maar het zag er niet naar uit dat hij nog een keuze had. Wat hier in deze kamer te zien was, was onomkeerbaar.
'We zullen er maar eens aan beginnen zeker. Dennis, is de lijkschouwer al op komst?'
Dennis Depaepe, sinds bijna vijf jaar de vaste partner van Willem, knikte.
'Hij zou er binnen vijf minuten moeten zijn.'
'En de forensische?'
'Die zijn net toegekomen. Die zijn beneden al begonnen.'
'Ok.'
Willem knikte en keek de kamer rond. Proberend zich en beeld te vormen van wat hier gebeurd was. Afschuw voelend voor zoveel wreedheid. Zoekend naar mogelijke redenen, scenario's, een film vormend van wat er zich hier afgespeeld had.
Hoe was deze man aan zijn – hoogst waarschijnlijk onverwachte – eind gekomen? Wie had dit gedaan en waarom? Dat waren de vragen waar hij en zijn collega's de komende weken een antwoord op moesten vinden.
Liefst zo snel mogelijk, want Willem kreeg hier een zeer sterk en vooral vreemd gevoel bij. Een gevoel dat bevestigd werd door de blik op Dennis' gezicht toen ze elkaar aankeken.
Het onderzoek was uiteraard nog niet gevoerd, en misschien was het wel een 'gewone afrekening' of een 'gewone passiemoord', maar wat als dat niet zo was? Wat als er hier geen 'objectief' motief was voor deze moord? Wat als deze man vermoord was door een onbekende? Wat als er geen link te vinden was met de omgeving van de man? Er was op dit ogenblik geen bewijs van dit vermoeden, maar iets in Willem, een vreemd gevoel dat hij nooit eerder ervaren had, vertelde hem dat er hier iets aan de hand was dat hij nooit eerder tegen gekomen was.
Een passiemoord was vreselijk, maar de actoren waren duidelijk en mensen die buiten de relatie stonden, waren geen mogelijke slachtoffers.
Een afrekening in het milieu – wat voor milieu maakte eigenlijk niet uit, drugs, misdaad, prostitutie, enz… – was niet minder verschrikkelijk, maar had in normale omstandigheden geen gevolgen buiten het milieu.
Een moord zonder banden kon iedereen treffen. En dat waren de ergste. Dan was er sprake van willekeur. Oncontroleerbare willekeur...
De modus operandi, het doorboren van het slachtoffer met een groot wapen – wat nog moest bevestigd worden – was ook iets dat niet eerder voorgekomen was. Het was geen teken van één of andere drugsbende, zoals het afsnijden van een vinger, een oor, het mannelijk lid. Dit was een manier van vermoorden waar Willem nog nooit eerder van het gehoord had. En dat was nooit goed…
Willem schudde zijn hoofd, alsof hij deze - voorbarige - duistere gedachten van zich af wilde schudden en begon aan het onderzoek. Hij wilde er nog niet met Dennis over spreken al had hij de indruk dat hij in dezelfde richting dacht.
Het moordwapen, dat was het eerste dat ze moesten vinden. Als ze dat vonden, was er een eerste stap gemaakt naar een mogelijke dader.
In de kamer was echter niets te vinden. Niet onder het bed, niet ik de kasten, niets dat in staat was om een dergelijke wonde te maken. Het had veel weg van het gat dat een Gyproc boor maakte. Willem had een paar jaar geleden een fitnesskamer op zolder gemaakt voor zijn jongste zoon en had de wanden van Gyproc platen gemaakt. De gaten voor de stopcontacten had hij met een elektrische boor gemaakt, met daar bovenop een speciale ronde boorkop van ongeveer vijf centimeter doormeter. Met gekartelde randen, als van een zaag, om zo een mooi rond gat te maken in de wand, waar de doosjes voor de stopcontacten perfect in pasten.
Het was bijna zo'n gat dat in de borst en de rug van de man zat. Al leek het onwaarschijnlijk dat er een boor bestond die zo makkelijk dwars door een man zou boren. En dan niet kwam vast te zitten.
Willem wilde het niet – hij rilde intens toen het beeld voor zijn ogen voorbij dreef – maar onwillekeurig stelde hij zich voor hoe een dergelijke boor in het lichaam van de man gedreven werd en een gat maakte in de borstkas, de ribben, het hart - daarmee het leven uit de man rukkend - en opnieuw door de ribben. Om heel even langs achter naar buiten te komen, een tweede perfect rond gat makend, en dan weer omhoog zijn weg zoekend, in omgekeerde richting, zich terugtrekkend uit het lichaam. Een gruwelijk spoor van dood en vernieling achterlatend.
Onderzoekend keek Willem rond, op zoek naar stopcontacten. Om te zien of ze besmeurd waren met bloed. Bloed dat ongetwijfeld aan de hand van de dader zou gehangen hebben, na het maken van het gat, bloed dat ook aan het stopcontact zou hangen toen hij daar de stekker uittrok. Tenzij het een boormachine op batterijen was natuurlijk.
Als het boor-scenario klopte, zou dat laatste wellicht het geval zijn, want aan de stopcontacten in de kamer en in de hal was niets te zien.
'Wat zoek je Willem,' vroeg Dennis, die Willem zag rondkijken.
'Een boor?'
Dennis keek Willem vreemd aan.
'Dacht jij er ook aan?'
Dennis knikte met een blik van afschuw op zijn gezicht.
'Ik heb al een paar moorden meegemaakt, maar zo'n gat heb ik nog nooit gezien. Dat is niet met een speer gemaakt, dat moet bijna met een boor gemaakt zijn? Of een ander gruwelijk marteltuig, maar ik kan me niet voorstellen wat.'
Dennis klonk aarzelend toen hij die woorden uitsprak. Ook hij leek de film van de moord voor zijn ogen te zien en ook hij werd vervuld van afschuw.
'Ik was ook aan een boor aan het denken, maar het lijkt me wel vreemd. Er zijn toch een aantal dingen die niet kloppen. We zullen het pathologisch onderzoek moeten afwachten, maar ik denk dat we straks even langs de Brico gaan om te zien wat voor boren er bestaan die dit kunnen, niet?'
Dennis knikte.
'Ik ga beneden kijken of ze al iets gevonden hebben en zal even bellen naar Sint-Vincentius om te zien hoe het met het meisje is. Dan kunnen we haar straks ondervragen als het lukt.'
Willem knikte.
'Is goed. Ik kijk hier nog wat rond, dan kom ik zo ook naar beneden.'
Willem kon het vreemde gevoel dat hij in deze kamer gekregen had, niet van zich afwerpen. Er was hier iets, iets dat hij niet thuis kon brengen. Iets dat hij niet wilde voelen. Angst? Was het angst? Een weten dat er hier iets gebeurd was dat hij nu nog niet kon duiden?
De haren in Willems nek kwamen rechtop te staan toen hij naar het slachtoffer keek en hij rilde. Hij moest hier weg. Dat was niet van zijn gewoonte. Niet dat hij kickte op dit soort taferelen. Integendeel. Hij vond dit telkens opnieuw vreselijk. Dit wende niet. Nooit. Maar hij wilde er ook niet van weglopen. Dat hoorde niet bij zijn job.
Als hij wegliep van dit soort taferelen, hoorde hij hier niet.
Maar hier, in deze kamer, wilde hij niet meer zijn. Huiverend keek hij nog eens rond zich en verliet de kamer. Zo snel mogelijk, zonder te lopen en vragen op te roepen, daalde hij de trap af en vervoegde hij Dennis die in gesprek was met de forensische ploeg.
'Iets gevonden?' vroeg hij zo neutraal mogelijk, hopend dat niemand de spanning zou merken die zich zo plots van hem meester gemaakt had.
Dennis keek op toen hij Willem hoorde, maar leek niets te merken.
'Voorlopig niets. Geen sporen van inbraak. Het raam naast de voordeur daar is gebroken door Jef Demeester toen hij hier binnenkwam. Aan de deur is niks te zien, ook achteraan niet. De dader moet een bekende geweest zijn of er moet een deur open gestaan hebben.
Ik hoop dat we snel met het meisje kunnen praten, die zal ons hopelijk meer vertellen.'
'Heb je al iets van haar gehoord?'
'Ze zijn haar nog aan het onderzoeken. Zoals het er nu uitziet, is ze inderdaad niet gewond, maar ze is wel in shock. Ze proberen haar wat te kalmeren, maar ik hoop dat ze haar niet te zeer plat spuiten, anders gaat ze ons ook niet veel kunnen vertellen.'
Willem en Dennis liepen nog wat door het huis, maar zagen niks dat hun enige aanwijzing gaf over wat hier gebeurd was. Het forensisch onderzoek zou misschien nog dingen aan het licht brengen, maar nu was het beter dat ze hier niet waren en mogelijke aanwijzingen verknoeiden.
'Koffietje?' vroeg Dennis terwijl ze naar buiten liepen. En hij zijn collega schuin aankeek.
'Je ziet er moe uit Willem, niet goed geslapen?'
'Huh? Wat zei je Dennis?'
Willem schrok op uit zijn overpeinzingen. Hij was aan het denken waar het vreemde gevoel dat bezit van hem genomen had vandaan zou kunnen komen, maar vond geen antwoord. Hij voelde dat hij iets over het hoofd zag, maar kon met de beste wil van de wereld zijn vinger niet op het antwoord leggen.
Hij haalde zijn schouders op en keek Dennis aan.
'Moe? Kweet niet. Misschien wel. Ik slaap al een tijdje niet zo goed.'
'Problemen thuis?'
Willem schudde zijn hoofd.
'Nee, thuis is alles ok. Het is wel wat vreemd nu ook Stijn het huis uit is, maar het is niet alsof hij de laatste jaren nog veel thuis was hé. Sinds hij in Leuven studeerde, kwam hij in het beste geval in het weekend nog eens één dag naar huis, maar veel meer was dat niet. Dus zo een verschil is het niet nu hij gaan samen wonen is met zijn Sarah. En het lijkt allemaal goed te klikken, dus dat komt wel goed.'
'En met Myriam? Ook alles ok?'
'Ja hoor. Zij heeft het wel iets moeilijker met het lege huis, maar ze is nu als vrijwilligster aan de slag in de buurtschool en misschien kan ze daar wel echt aan het werk binnenkort. Dus dat komt wel goed.
Alleen Jonas...'
Willem maakte zijn zin niet af. Jonas was zijn oudste zoon. En daar was Willem minder gerust in. Hij was een doordrijver. Een koppigaard. Altijd al geweest. En nu was hij bezeten door bodybuilding. Fitness. Op zich niks mis mee. Alleen was Willem er nu achter gekomen dat hij het nogal serieus oppakte.'
'Willen we hier een koffietje drinken?'
Dennis wees naar een lokaal café.
'Ik wil zeker eens naar de Starbucks, maar ik denk dat we vandaag andere dingen te doen hebben dan naar het station te rijden, niet? Dan kunnen we seffens naar het Sint-Vincentius, horen hoe het met het meisje is.'
'Is goed.'
De twee mannen bestelden een grote koffie en even viel er een stilte tussen hen. Dennis kende Willem al jaren en kende ook zijn gezin. Myriam, Willems vrouw, was een toffe madam. Zoals ze in Antwerpen zeiden. Vlot, goedlachs en zeer gastvrij. Altijd klaar voor een grapje en Dennis mocht haar heel graag.
Stijn, de jongste zoon was een beetje een zorgenkind geweest, niet de beste student, maar nu leek hij wel zijn draai gevonden te hebben.
En Jonas, dat was altijd Willems oogappel geweest. Die kon niks mis doen. Altijd de primus, altijd haantje de voorste. Eigen kind, schoon kind, werd er vaak gezegd, en dat ging in het geval van Jonas zeker op. Die jongen kon in de ogen van zijn vader niks mis doen. Daarom dat het nu extra vreemd was dat Willem zo bezorgd over hem praatte.
Dennis liet Willem even van zijn koffie drinken en zijn gedachten ordenen, maar toen kon hij niet meer wachten en wilde hij weten wat er met Jonas aan de hand was.
'Je wilde iets zeggen over Jonas?' begon hij voorzichtig.
Willem, die uit zijn gedachten opschrok, keek Dennis schuin aan. Ver weg. In gedachten op een andere plaats. Duidelijk geen plaats waar hij graag was.
'Ik weet het niet,' begon Willem, terwijl hij diep zuchtte en in zijn haar krabde.
Starend keek hij de koffiebar rond, door de mensen heen kijkend die genoten van de schaarse zon op deze ‘would be’ zomerdag. De verliefde koppeltjes niet ziend, de oude vrouwtjes die blij waren dat ze eindelijk nog eens buiten konden komen en met hun vriendinnen een koffieklets maken, helemaal missend.
'Ik weet het niet,' herhaalde hij. Weer zwijgend.
Dennis was er niet gerust in. Dit was niks voor Willem. Hij was er niet de man naar om snel ongerust te worden over zijn gezin. Hij had er nog nooit redenen voor gehad.
'Je weet dat Jonas al een tijdje samenwoont met Eva hé.'
Dennis knikte.
'Er zijn toch geen problemen tussen die twee? Dat leek me altijd het perfecte koppel.'
Willem schudde hevig zijn hoofd.
'Nee nee. Helemaal niet. Tussen hen gaat het nog allemaal goed. Voorlopig toch. Eva is een meid uit duizend. Echt waar. Zo maken ze ze niet meer. Wat die allemaal doet voor Jonas en hoe die voor hem zorgt? Ongelooflijk. Pas op, het is geen sloof die over haar laat lopen. Zeker niet. Als ik zeg dat ze veel voor hem doet, dan bedoel ik ook dat ze hem op het juiste pad houdt en hem ook keihard op zijn plaats zet als hij te ver gaat. Als hij eens te zat thuiskomt of gekke dingen wil doen.
Jonas is geen dommerik, dat weet je, hij is echt wel een verstandige jongen, maar soms verliest hij even de pedalen en kan hij wel eens gek doen. Zoals elke jonge twintiger zeker?'
'Bedoel je drugs?' vroeg Dennis voorzichtig.
Willem schudde langzaam, maar niet helemaal overtuigd zijn hoofd.
'Geen drugs. Niet in de gewone zin van het woord. Neen, hij drinkt al wel eens een pintje te veel en komt dan straalbezopen thuis na een avondje stappen met zijn vrienden. En dan kan Eva de boel opruimen. Ze doet dat dan ook, maar 's morgens wrijft ze het hem er wel eens heel goed in, en laat ze Jonas goed voelen dat het zo niet kan. En dan is het weer voor een tijdje beter.
Neen, maar…'
Willem zweeg, zijn woorden wikkend.
Dennis ervoer het stilzwijgen als een mogelijk gebrek aan vertrouwen. Of beter een weten dat als het een echt misdrijf was, Dennis het moest melden en dat was natuurlijk een risico.
'Als je wil, zeg ik niks hoor Willem.'
Maar Willem wuifde het antwoord van Dennis weg.
'Nee nee, het zijn geen drugs. Ook geen illegale dingen. Allez, toch niet echt illegaal.'
Dennis kon even niet volgen.
'Hoe bedoel je?'
'Wel, het gaat niet over drugs, het gaat over allerlei pilletjes, hormonen, spierversterkers, en dat soort toestanden. Jonas is bezeten door fitness, door body building. Op zich niks mis mee, maar nu begint hij er ook allerlei pillen bij te slikken. Vraag me niet waar hij ze haalt. Ik heb het hem al eens gevraagd, en hij antwoordde er heel ontwijkend op. Eigenlijk antwoordde hij er niet op. Ik vermoed via het internet, en God weet wat voor rommel dat allemaal is.
Ik zie aan hem dat het invloed op hem heeft. Hij staat soms zo scherp. Hij heeft soms zo'n blik in zijn ogen waar ik een beetje bang van wordt.
Ook Eva heeft al eens gezegd dat hij gek doet. Dat hij zichzelf niet helemaal onder controle meer heeft. Tot nu toe - voor zover ik weet tenminste - heeft hij nog niet gevochten en heeft hij nog geen domme of onherstelbare dingen gedaan. Maar ik maak me zorgen dat dit wel gaat gebeuren. En dat wil ik echt niet meemaken.'
Willem zuchtte intens diep en haalde zijn schouders op.
'Ik weet het niet Dennis. Misschien ben ik overbezorgd. Misschien, waarschijnlijk, overdrijf ik en is het allemaal zo erg niet. Er zijn zoveel jongeren met fitness bezig. En eigenlijk moest ik blij zijn. Sporten is gezond. Veel beter dat dan de hele dag op straat rondhangen of in de cafés aan de toog hangen. Maar ik zie gewoon niet graag dat hij zo extreem doet. Dat is niet goed. Toch?'
Willem keek zijn partner en vriend vragend, bijna smekend aan. Zoekend naar hulp, naar bevestiging dat hij ongelijk had. Naar geruststelling dat het allemaal zo'n vaart niet zou lopen.
Maar Dennis kon Willem die rust niet geven. Hij had al een paar keer gezien wat dat soort hormonen met mensen kon doen. Hij had al een paar keer die mannen opgepakt en voor heel lang achter de tralies gegooid omdat ze onder invloed van die hormonen onherstelbare schade toegebracht hadden aan hun vrouwen (of wie dan ook de pech had te dicht in de buurt te zijn op het ogenblik dat hun hormonenspiegel in het dieprood ging).
In plaats daarvan legde hij zijn hand geruststellend op Willems schouder.
'Als je wil, zal ik wel eens met hem praten Willem. Misschien dat hij naar een buitenstaander wel luistert.'
Willem begreep de boodschap en zuchtte zo mogelijk nog dieper.
'Dank je Willem. Ik zal het onthouden. Het zal wel goed komen zeker?'
De stilte die nu viel, woog loodzwaar en leek de toog waar de mannen aan zaten omlaag te drukken. Ze schoven een beetje naar beneden, voelden zich kleiner worden en dronken in stilte hun koffie uit.
Een bende jongeren die met veel lawaai de taverne binnenkwam, brak uiteindelijk de stilte in duizenden stukken en schudde Willem weer wakker.
'Het komt wel goed,' klonk het nu, een stuk opgewekter, uit zijn mond.
Al zag Dennis dat de twijfel in zijn ogen nog helemaal niet weg was. Maar hij besloot het nu te laten rusten.
In plaats van dit delicate onderwerp, praatten ze verder over deze zaak. Die zeker niet positiever was. Ze vonden het beiden tot nu toe heel vreemd, maar hadden geen flauw idee wat hier achter stak. Dat moest de rest van het onderzoek uitwijzen.
'Ben benieuwd wat Schepers hier van gaat zeggen,' begon Dennis na een korte stilte.
'Hij houdt echt niet van dit soort rommel in zijn district. En ik moet zeggen dat ik hem geen ongelijk kan geven.'
Willem knikte instemmend.
'Ik moet zeggen dat ik er geen goed gevoel bij heb, en hoeveel te meer ik er over nadenk, hoeveel te meer dat gevoel bevestigd wordt. Hier klopt iets niet. Er stinkt iets, maar ik weet niet wat.'
'Inderdaad, en dat moeten wij uitzoeken. Kom, laten we naar het ziekenhuis gaan.'
Snel dronken de mannen hun koffie op, betaalden, en stapten in hun dienstwagen. Een anonieme wagen, zoals dat hoorde bij deze job.
Het ziekenhuis was maar een paar kilometer van het huis van de misdaad verwijderd en op deze zomerse, af en toe druilerige dag, was er niet veel verkeer in 't Stad. Zonder problemen kwamen ze in het ziekenhuis aan en gingen ze op zoek naar Anne-Marie Scheverneels.
Ze lag op de dienst traumatologie, op een kamer alleen, met een agent voor de deur. Zolang er niets geweten was over de mogelijke dader, mochten ze geen risico nemen en moest ze bewaakt worden. Als ze de dader gezien had, was ze een getuige en kon hij terug komen om zijn werk af te maken.
Willem wisselde een paar woorden met de agent en vroeg naar de dokter. Die was net weg, maar de verpleegster die net uit de kamer kwam, wist meer.
'Ze is niet gewond en niet misbruikt. Het lijkt erop dat ze zelf niet in aanraking gekomen is met de dader, maar ze is wel behoorlijk geschrokken. We hebben haar iets gegeven om te kalmeren. Het kan zijn dat ze een beetje versuft is, maar normaal gezien moet ze kunnen praten. Maar ontzie haar alsjeblieft, want ze is echt wel zwaar geschokt door wat er gebeurd is.'
Dat laatste werd op scherpe toon gezegd, om aan te geven dat deze verpleegster niet zou tolereren dat deze agenten haar patiënte hardhandig zouden aanpakken.
'Uiteraard,' antwoordde Dennis, met een duidelijk hoorbare verontwaardiging in zijn stem. Hij nam zijn job altijd zeer serieus en werd kregelig als mensen hen als de bullebakken van deze samenleving beschouwden. Het waren zij die jacht maakten op de misdadigers. Zij waren niet degenen die moesten veroordeeld worden.
Willem legde zijn arm op Dennis' schouder om hem te kalmeren. Hij wist hoe gevoelig dit lag bij hem, en wilde niet dat Dennis hier nu ruzie begon te maken. Dit was niet de plaats en persoon om ruzie mee te maken. Hij had enorm veel respect voor de verpleegkundigen en kon zich perfect voorstellen dat ze hier al eens één van hun collega's over de vloer gehad hadden die minder tactvol met slachtoffers van geweld omgegaan waren.
'Dank u wel. We zullen heel voorzichtig zijn.'
Snel troonde Willem Dennis mee, en liepen ze zachtjes de kamer van het meisje binnen. De gordijnen waren half dicht, zodat het een beetje duister was in de kamer. Het liep ondertussen tegen de middag, maar de schrale zon die zo haar best deed om toch iets van deze zomer te maken, werd buiten gehouden. Hier was geen reden tot zonnigheid. Hier was geen zomergevoel. Hier was iemand die een hele tijd nodig zou hebben om te bekomen van wat ze meegemaakt had. Als ze er ooit in zou slagen dit helemaal achter haar te laten…
Het meisje in het bed zag er intussen een stuk beter uit, tenminste wat het bloed betrof, maar de vreselijke uitdrukking op haar gezicht was nog niet helemaal verdwenen. Ze had lange, krullende haren, lichte ogen en een gewoon, aantrekkelijk gezicht. Het leek duidelijk dat deze heldere ogen tot voor kort heel vaak lachend de wereld ingekeken hadden, maar de donkere rand die er nu rond lag, zou nog wel een tijdje blijven liggen. De glans van angst in deze ogen vertelde veel over wat ze gezien had.
De vraag was : had ze meer gezien dan wat Willem en Dennis ook gezien hadden?
Ze reageerde bijna niet toen de twee rechercheurs de kamer binnen stapten. Slechts heel even keek ze een beetje opzij, maar de mannen die binnen kwamen, konden haar aandacht niet lang vasthouden. Een snelle blik gleed over hen, waarna haar ogen zich weer richtten op een denkbeeldige plek op de muur naast de tv die op een sokkel tegen de muur hing.
Willem nam één van de stoelen die in de kamer stonden, schoof die zacht naast het bed en ging zitten. Dennis bleef naast de deur staan. Afwachtend, op de achtergrond, het meisje zo weinig mogelijk onder druk zettend.
'Anne-Marie?' begon Willem zacht.
Geen reactie.
'Anne-Marie? Wij zijn Willem Demeuter en Dennis Depaepe van de recherche. Wij zouden jou een paar vragen willen stellen over wat er in jouw huis gebeurd is. Kan dat?'
Een snelle, schichtige blik opzij was het enige resultaat dat deze vraag opleverde.
'Anne-Marie. Het is belangrijk dat we snel zoveel mogelijk informatie kunnen vinden over de persoon die de man in jouw huis gedood heeft. Kan jij ons daar bij helpen?'
Deze woorden maakten meer los. Nu keek het meisje Willem wel aan. Diep in zijn ogen. Met een ijzige blik die recht door Willem heen leek te gaan. Een blik die Willem heel ongemakkelijk deed worden. Hij wist niet waarom, maar er was iets mis met het gevoel dat deze blik bij hem losmaakte. Het was niet het eerste slachtoffer dat hem vreemd aangekeken had, maar dit leek anders.
Snel drukte Willem dit gevoel weg en richtte hij zich weer op het meisje.
'Kan je ons vertellen wat je gezien hebt Anne-Marie? Kan je ons vertellen wie de dode man in jouw huis was? En kan je ons vertellen wat er gebeurd is?'
Willem besefte dat hij eigenlijk te veel vragen tegelijk gesteld had, dat was niet zoals het hoorde, maar hij moest weten wat hier gebeurd was. Hij voelde een vreemde druk om snel meer te weten te komen. Een gevoel dat hier nog een gevolg aan zou komen, maakte zich van hem meester en leek hem niet meer los te laten.
'Het is,'
Het meisje aarzelde en snikte. Beseffend dat de man niet meer is, maar was.
'Het was mijn vriend. Dave. We waren van plan om binnenkort te gaan samenwonen. Hij had een sleutel van mijn huis. Ik woon daar sinds begin van dit jaar en hij zou bij mij komen wonen. We gingen kindjes maken. We gingen…'
De stem van het meisje had al heel stil geklonken, maar nu brak ze helemaal. Ze barste in snikken uit. Tranen rolden in onstuitbare stromen van haar wangen. Haar hele lichaam schokte. Willem wilde haar troosten, maar wist niet hoe. Hij wilde haar geen pijn doen, hij wilde haar niet confronteren met een verlies dat ze misschien niet aankon, maar hij wist wel dat het goed was dat ze zo kon wenen. Dat ze haar gevoelens naar buiten kon laten en niet opkropte.
Daarom liet hij haar wenen en gaf haar de tissues die op het tafeltje naast haar bed stonden. De enige troost die hij haar bood, was een zachte hand op haar arm toen ze langzaam begon te kalmeren. Hij had geleerd dat het goed was slachtoffers te troosten, maar dat het ook goed was de nodige afstand te bewaren. Hoe erg het leed soms ook was. Er waren diensten zoals slachtofferhulp die gespecialiseerd waren in het helpen van mensen zoals Anne-Marie en die zouden straks zeker langskomen.
Maar Willem moest zijn afstand bewaren. Hij moest zijn objectiviteit bewaren. Niets garandeerde hem dat dit meisje geen betrokken partij was in het vreemde gebeuren dat zich vandaag in haar huis afgespeeld had. Het zou niet de eerste keer zijn dat een slachtoffer een dader bleek te zijn. Hoe onwaarschijnlijk het soms ook leek. Wat hier zeker ook het geval was, maar garanties waren er in dit soort zaken spijtig genoeg niet. De menselijke geest was vaak zeer ondoorgrondelijk…
Ondertussen was Anne-Marie een beetje gekalmeerd en leek haar tranenstroom tot rust te komen.
'Sorry,' fluisterde ze zacht.
'Geen sorry,' wuifde Willem haar excuses weg.
'We willen alles weten wat er in jouw huis gebeurd is. Alles dat ons kan helpen de moordenaar van jouw vriend te vinden. Maar neem je tijd. Het is belangrijk dat je niks vergeet. Alles kan belangrijk zijn. Denk aan alles wat je gezien hebt.'
De blik van afgrijzen op het gezicht van het meisje vertelde Willem dat ze zich heel veel herinnerde en hij liet haar even de tijd om alles op een rijtje te zetten.
'Anne-Marie,' begon Willem, toen hij zeker was dat ze voldoende gekalmeerd was.
'Heb jij gezien wat er gebeurd is? Heb jij gezien wie Dave vermoord heeft?'
Anne-Marie schudde haar hoofd.
'Neen, ik heb niks of niemand gezien. Ik ben thuis gekomen van de bakker. Dave was blijven slapen en was nog boven in de slaapkamer. We hebben allebei vakantie. We waren gisterenavond op stap geweest en Dave had een beetje veel gedronken. Normaal gezien gaat hij naar de bakker, maar omdat hij een kater had, ben ik gegaan. Anders was ik thuis geweest…'
De jonge vrouw moest even op adem komen, beseffend dat ze wellicht door het oog van de naald gekropen was en dat ze, als Dave naar de bakker gegaan was, zoals gewoonlijk, in zijn plaats daar gelegen had. Dat besef bracht een nieuwe schok teweeg en weer kwamen de tranen snel naar boven, maar deze keer droogden ze sneller op.
'Ik ben niet lang weg geweest. Ik ben naar Bakkerij Dellafaille geweest in de Museumstraat. Bijna op de Vlaamse Kaai. Dat is niet de dichtstbijzijnde bakker, maar hun croissants zijn zo super lekker dat ik daar graag een paar minuten verder voor ga. Het is iets meer dan vijf minuten stappen van hier, ik denk dat ik daar zo'n vijf à tien minuten binnen geweest ben en dan nog een vijf minuten terug. Ik denk dat ik zo'n twintig minuten weg geweest ben, niet langer.
Toen ik terug kwam, heb ik niks gezien of gehoord. Ik heb naar Dave geroepen toen ik binnenkwam, maar hij antwoordde niet. Ik dacht dat hij nog sliep, gezien de hoeveelheid drank die hij gisteren binnen gespeeld heeft. Ook toen ik boven kwam, zag ik nog niet direct dat er iets mis was. Ik zag het bloed op de overloop, maar toen had ik eigenlijk nog niet door wat er gebeurd was. Dave heeft… had soms last van bloedneuzen en dan moest hij snel naar de badkamer lopen. Die kwamen vaak heel spontaan op en dan moest hij snel zijn om ze te stoppen. Dat lukte meestal vrij goed, maar ze starten soms heel onverwacht en dat was wel vervelend.
Alleen toen ik in de slaapkamer kwam, wist ik direct dat er iets grondig mis was…'
Anne-Marie zweeg en staarde weer naar het denkbeeldige punt op de muur.
Willem keek even naar Dennis, maar die haalde zijn schouders licht op. Hij geloofde wat ze zei, hij had geen reden om aan haar te twijfelen. Nog niet.
'Was Dave al dood toen je boven kwam Anne-Marie?'
Langzaam richtte ze haar blik op Willem.
'Wat zei je?'
'Was Dave al dood?'
Anne-Marie knikte.
'Ja. Ik heb tegen hem geduwd. Ik heb zijn pols gevoeld, ik heb naar zijn hart geluisterd, maar er was niks meer. Toen ik het gat in zijn borst zag, wist ik direct dat hij dood was. Niemand kan dat overleven. Dat is…'
Anne-Marie zag de vragende blik van Willem.
'Ik ben verpleegster. Op de spoedafdeling. Ik heb al veel zwaargewonden zien binnen brengen. En meestal zie ik of ze enige kans hebben of niet. Dave had die niet…
Toen heb ik naar de politie gebeld en ben ik in elkaar gezakt. Ik kon niet meer. Ik…'
'Rustig maar Anne-Marie. Je hebt goed gedaan. Je zou voor minder van je melk zijn.
Mag ik nog een paar vragen stellen?'
Anne-Marie knikte langzaam.
'Waarom heb je direct naar de politie van 't Zuid gebeld en niet de 100? Niet dat daar iets mis mee is, integendeel, maar de meeste mensen bellen de 100 en het viel ons gewoon op.'
Anne-Marie knikte.
'Dat lijkt misschien inderdaad vreemd, maar is eigenlijk heel simpel. Als verpleegster op de spoed, moet ik soms naar jullie bellen met informatie over patiënten. En dus zit dat nummer in mijn GSM.'
Willem knikte. Dat leek heel logisch.
'Nog twee vragen dan. En dan laten we je met rust. Heb je iemand zien weglopen toen je thuiskwam? Of heb je iets of iemand in huis gehoord toen je thuiskwam?'
Anne-Marie dacht diep na. Bedachtzaam schudde ze haar hoofd.
'Neen, ik heb niemand gezien. Ik weet nog dat ik dacht dat iedereen nog lag te slapen want er was bijna niemand op straat.
En hier in huis…'
Weer dacht ze diep na.
'Neen, ik heb niks gehoord. Ik heb geroepen op Dave, maar heb niks gehoord. Het was muisstil in huis. Het was doodstil…'
De ware betekenis van deze woorden drong tot Anne-Marie door en weer werden de tranen haar te machtig.
‘Een laatste vraag Anne-Marie. Zijn jullie de laatste weken door iemand bedreigd? Benaderd? Iemand die jullie volgde? Werd Dave bedreigd? Was hij bang, angstig? Iets dat anders was dan anders?’
Anne-Marie dacht na, maar schudde langzaam haar hoofd.
‘Neen, niks. Dave vertelde mij alles, en zoiets zou hij mij ook verteld hebben. Daar ben ik zeker van. Ik ben niet rap bang, Dave weet, wist dat hij mij niet moest ontzien. Als er iets zou zijn, zou hij het mij zeggen. En hij heeft het mij nooit verteld. Dus neen, ik denk niet dat iets was.’
Willem knikte.
'Dank je wel, Anne-Marie. We weten voorlopig genoeg. Probeer te rusten, ok? We komen waarschijnlijk nog wel terug, maar probeer nu op krachten te komen. Er staat dag een nacht een agent voor je deur. Hier ben je veilig. Ok? En als je toch ergens aan zou denken, als je je iets herinnert, eender wat, zeg het dan tegen deze agent, zodat hij het ons kan zeggen. Goed? Hou je sterk Anne-Marie. Alles komt in orde. Ok?'
De blik in de ogen van de jonge vrouw vertelde hem het tegendeel. Neen, het zou niet goed komen, maar Willem had niks anders kunnen zeggen. Ook al geloofde hij het zelf ook niet helemaal.
Ook de mededeling dat er een agent voor de deur stond, stelde haar niet echt gerust. Integendeel, het versterkte haar angst, want het impliceerde dat het misschien niet voorbij was. Het vertelde haar dat de moordenaar van haar vriend misschien terug kon komen. En dat was geen geruststellend vooruitzicht.
Op het commissariaat was het intussen behoorlijk druk geworden. De moord die deze ochtend gemeld was, had de slaperigheid met een grove borstel verdreven. Al waren de meeste agenten niet zelf met het onderzoek bezig, toch bracht een dergelijke zaak bij iedereen een verhoogde staat van paraatheid teweeg.
Antwerpen was niet de meest rustige stad, maar beestachtige moorden kwamen hier - gelukkig - niet elke dag voor. Ook niet elke week, elke maand en gelukkig ook niet elk jaar.
Maar nu was het gebeurd. Nu was er een man, - tot nu toe - zonder motief, vermoord. Op een beestachtige, gruwelijke wijze. En liep de dader (of daders) nog rond. En dat was geen goede zaak.